Wijktheater

Wat zijn effectieve sociale interventies?
De interventies in de databank worden minimaal twee jaar toegepast door meer dan één instelling en er is een handboek beschikbaar om zelf met deze interventies aan de slag te gaan. In de databank vindt u alle beschikbare informatie over de interventies zelf, de onderbouwing, de praktijkervaringen en de effectiviteit. Lees verder

Esi, 
1 januari 2011

Wijktheater zet cultuurparticipatie als middel in om bewoners in volkswijken te empoweren en verandering in gedrag of opvattingen te stimuleren. Gedurende een jaar werken wijkbewoners onder begeleiding van een regisseur aan een theaterproductie die zij vervolgens ook zelf opvoeren. Het stuk is gebaseerd op verhalen uit de eigen wijk

Praktijkervaringen van deelnemers aan Wijktheater laten zien dat zij positiever, opener, energieker, actiever en meer zelfverzekerd worden. Bezoekers waarderen de kwaliteit en herkenbaarheid van de voorstelling en hebben na afloop een positiever beeld van de wijk.

Doel

Het hoofddoel van de methode Wijktheater is het bereiken van (veelal laag opgeleide) groepen in zogenaamde ‘volkswijken’ die zelden het reguliere theater bezoeken, om voor deze groepen cultuurparticipatie mogelijk te maken. Met cultuurparticipatie bij wijktheater wordt zowel het bezoeken van voorstellingen (consumeren) als het deelnemen aan producties (als acteur of medewerker) bedoeld. Een ander doel is het zorgen voor een ‘beweging’ bij mensen die kan aanzetten tot verandering in gedrag of opvatting. Het gaat er om mensen zelf door theater een beeld van de binnenkant van hun leven te geven en daarmee hun dilemma’s en/of vooroordelen inzichtelijk, bespreekbaar en bekritiseerbaar te maken. Maar het gaat ook om het versterken van het gevoel van eigenwaarde, erbij horen en zelfredzaamheid van de doelgroep. Het biedt tegenwicht aan negatieve beeldvorming rondom de doelgroep vanuit andere groepen in de samenleving.

Doelgroep

De doelgroep bestaat primair uit mensen die weinig tot niet deelnemen aan het culturele aanbod binnen de samenleving. Op hoofdlijnen wordt deze groep gekenmerkt als een groep die sociaal, maatschappelijk en/of economisch op achterstand staat.
Daarnaast is er een secundaire doelgroep. Hierbij gaat het om het overige publiek dat naar een voorstelling komt kijken. Dit kunnen mensen uit alle lagen van de bevolking zijn.

Aanpak

De methode Wijktheater wordt uitgevoerd op lokaal niveau, vaak toegespitst op een (volks)wijk in Nederland. Bij probleemsignalering in een bepaalde wijk (bijvoorbeeld eenzaamheid) worden bewoners van die wijk benaderd door een regisseur om mee te werken aan het maken van een voorstelling. Door middel van bijeenkomsten en persoonlijke interviews wordt dramatisch materiaal verkregen dat als basis dient voor het theaterstuk. Het gaat hierbij altijd om persoonlijke, geleefde verhalen van mensen uit de wijk. Daarnaast worden met de (uiteindelijke) groep spelers theatrale oefeningen gedaan om elkaar beter te leren kennen en te leren acteren op het toneel. Na deze bijeenkomsten gaat de regisseur (die de spin in het web is) aan de slag met het vertalen van het verkregen materiaal naar concrete toneelteksten. Deze worden getoetst door de spelers, verder uitgewerkt en uiteindelijk gestileerd tot de definitieve tekst. Samen met de spelers wordt zo de eerste uitvoering voorbereid. Het streven kan zijn om na de première met de voorstelling op tournee te gaan. Of een voorstelling ook buiten de betreffende wijk wordt gespeeld, kan per project verschillen. Vaak wordt er in de regio gespeeld, zodat de voorstelling op verschillende plaatsen bezocht kan worden.

Materiaal

Het volgende handboek is beschikbaar:
Community Theatre Methodiek, een praktische handleiding, geschreven door Jos Bours en Marlies Hautvast, uitgegeven in 2006 door Stut Theater in Utrecht.

Ontwikkelaar

Stut Theater
Charlotte Riem Vis
www.stut.nl

Onderbouwing

De methode Wijktheater (waarbij mensen uit volkswijken zelf op het toneel gaan staan) is in 1976 ontstaan vanuit de praktijk. Jos Bours en Marlies Hautvast (de oorspronkelijke ontwikkelaars van de methode, destijds werkzaam aan de Hogeschool voor de Kunsten) zijn toen, samen met een groep studenten, gestart met de eerste voorstelling voor en door wijkbewoners uit een volkswijk (Rijnierse en Risa, persoonlijke communicatie, 8 september 2010; Van Erven, 2001).  

De methode Wijktheater is vanuit de praktijk ontwikkeld en er zijn geen expliciete referenties met betrekking tot theoretische onderbouwing in het handboek te vinden. Toch kan de methode wel worden geplaatst binnen een traditie waarin theater diende als middel om het publiek politiek en sociaal bewust te maken. Documentair theater en vormingstheater (ontstaan aan het eind van de jaren zestig van de twintigste eeuw) zijn hier voorbeelden van. Deze theatersoorten kenmerkten zich door een stijl waarmee men via toneel de samenleving wilde beïnvloeden. De theaterstukken hadden meestal als uitgangspunt een actueel sociaal gegeven waarop de acteurs konden improviseren.

Praktijkervaringen

Uit een vijftal onderzoeken naar ervaringen van spelers blijkt dat het werken met wijktheater tot merkbare resultaten leidt. Zo merkte de regisseur van de voorstelling ‘Vlucht’ van Stut Theater gaande het proces, en vooral tijdens de voorstellingen, veranderingen op bij de spelers. Negatieve gedachten die de boventoon voerden, maakten vaker plaats voor positieve gedachten. Daarnaast beet de groep minder van zich af, werd opener, energieker en actiever. Leden van de groep gaven aan dat de voorstelling ‘Vlucht’ voor hen voelde als “van ons allemaal” en de spelers hadden het idee dat zij hun eigen verhaal vertelden. Ook geeft een aantal spelers aan meer zelfvertrouwen te hebben gekregen en opener te zijn geworden (Cerovecki en Zwart, 2010).  

Uit evaluaties onder bezoekers blijkt, dat voorstellingen positief worden ontvangen (Zwart, 2010; Zwart, 2009; Poelman, 2009; De Graaf, 1994). Vooral het goede spel, de herkenbare verhalen en de locatie van de voorstellingen worden positief gewaardeerd (Zwart, 2009). Ook blijken veel bezoekers tot vier maanden na het zien van de voorstelling er nog regelmatig aan teruggedacht te hebben. Tevens blijkt dat grofweg een derde van de ondervraagde bezoekers een positiever beeld heeft van de wijk na het zien van de voorstelling (Zwart, 2009; Zwart, 2010). Ook blijkt uit evaluaties dat 40 % van de bezoekers aangeeft meer inzicht gekregen te hebben in de cultuur die centraal stond in de voorstelling (Zwart, 2010).

Effectonderzoek

De ontwikkelaar voert geen onderzoek aan naar de effectiviteit van de methode. Dergelijk onderzoek is evenmin gevonden bij de door MOVISIE uitgevoerde literatuursearch (zie praktijkvoorbeeld 1).

Samenvatting werkzame elementen

  • De mensen zelf als uitgangspunt (subject) nemen.
  • Het werken met bewoners uit de wijk zelf.
  • Het werken met ‘geleefde verhalen’.
  • De herkenning van elkaars verhalen.
  • Het bespreken en delen van ervaringen en emoties.
  • Improviseren tijdens voorbereidingen.
  • Optreden voor publiek.
Praktijkvoorbeeld

De hieronder beschreven casus is een verkorte weergave van een door Bours (2005) beschreven project.  

De Poort (1997)

In 1996 werden we (Bours e.a.) gevraagd door het buurtwerk in Ondiep-Zuilen om in de Fruitbuurt in Utrecht een wijktheaterproject te ontwikkelen. Het buurtwerk in Noord-west had dit idee opgepikt van buurtbewoner (en speler) Hans Loermans. Hans had op straat gehoord hoe een kleinkind aan haar oma vroeg: "Maar vertel dan eens oma, hoe was dat dan vroeger met die Hooiepoort?" De Hooiepoort (of kortweg De Poort) was de volkse benaming van het kleine wijkje Hooipoort dat binnen de Fruitbuurt lag en dat een slechte naam had.  

"In ‘De Poort’ kon je maar beter niet komen, want daar woonden asocialen, daar was het Texas, daar kwam je niet eerder uit dan met een mes tussen je ribben."
De bewoners leden onder die slechte naam. Deze reputatie stamde voornamelijk uit de tijd dat de Stichting Volkswoningen onhanteerbare elementen uit de Utrechtse samenleving in bepaalde wijkjes trachtte te isoleren, zoals het Houtplein en De Hooipoort. Vanaf die tijd ging het bergafwaarts met de naam. Het buurtwerk had moeite om bewoners te activeren. Mensen waren nergens voor te krijgen, ze waren passief en cynisch. Men reageerde defensief op veranderingen; buitenlanders werden panisch buiten de wijk gehouden. Er was veel (kleine) criminaliteit en er waren problemen met jongeren. Er was geld beschikbaar gesteld door het buurtwerk: men vond de buurt een ‘urgent project’.  

Hoe krijg je de bewoners zo gek om mee te doen? Eerst vroegen Marlies (regisseur) en Mieke (buurtwerkster) een klein aantal actieve vrouwen uit de buurt om mee te doen in een werkgroepje. Ze startten met het organiseren van wekelijkse koffieochtenden. Marlies had voorgesteld om in eerste instantie te focussen op de geschiedenis van Hooipoort. In deze laagdrempelige opzet werd bewoners gevraagd om op die ochtenden te komen met fotootjes van vroeger uit het eigen fotoalbum. Die foto’s zouden op Buurthuis Odin worden tentoongesteld, samen met het verhaal dat erbij hoorde. Marlies zou dan afspraken maken voor uitgebreidere interviews en op die manier spelers vinden. Deze slimme opzet, het aanstekelijke enthousiasme en de vakbekwaamheid van Mieke en Marlies trokken de bewoners over de streep. Langzaam maar zeker kwamen daar de positieve ervaringen van de mensen die al waren geïnterviewd. Op de zaterdagmarkt werd uitgewisseld hoe leuk het vertellen was geweest, dat ze versteld hadden gestaan over wat ze nog allemaal wisten van vroeger.
Op kantoor werden de interviews boordevol uniek taalbewustzijn in razend tempo uitgetikt. Ik begon snel een kort toneelstuk te schrijven op basis van de spelers die zich al hadden opgegeven. Het waren bijna allemaal mensen zonder toneelervaring. Sterker nog: toneel was voor hen iets wereldvreemds. Wat moesten ze zich voorstellen bij een stuk over de problematische geschiedenis van de buurt en dat zij dat zelf zouden moeten spelen?
We bedachten een manier om hen definitief voor ons plan te winnen. Ik had een aantal scènes geschreven met een hoog komisch gehalte die ik typerend vond voor de houding en taal die uit de interviews naar voren kwamen. Marlies haalde de spelers voor de eerste keer bij elkaar en daar las en zong ik de tekst en het lied voor. Met succes. De herkenning was groot, de humor sloeg aan, het eigene van het taalgebruik gaf vertrouwen en het lied werd in één klap het lijflied van de buurt.  

Intussen waren de koffieochtenden een groot succes: ook van buiten de wijk kwamen oud-Hooipoorters met foto’s en verzoeken om interviews. Het bruiste weer in de buurt. In maart 1997 zou er een cultuurweek in Odin zijn waar de foto’s tentoongesteld werden, een fotoboek met onderteksten. De voorstelling De Poort zou worden gepresenteerd en elke avond zou het stuk door elf bewoners worden opgevoerd. De cultuurweek werd een knaller. Veel mensen waren geraakt door deze erkenning van het eigen verleden en de eigen taal (via de foto’s), iets dat werd versterkt door de voorstelling in het bomvolle zaaltje. Een bezoeker vertelt:  

"Vroeger vond ik het soms echt een rotbuurt, maar als ik die foto’s weer zie en die hele sfeer hier meemaak, dat toneelstuk, die humor waarmee je maar moest zien te overleven, dan ben ik eigenlijk ook wel trots op mijn verleden, trots dat ik hier vandaan kom."

DownloadsTypeGrootte
Methodebeschrijving Wijktheater pdf557.97 KB