5 vragen over intersekse beantwoord

artikel - 28 oktober 2016
intersekse

In Nederland zijn er zo’n 85.000 mensen met een vorm van intersekse. Toch is er heel weinig bekend over mensen die geboren zijn met een lichaam dat niet overeenkomt met het stereotiepe man/vrouwbeeld. Movisie en het NNID (Stichting Nederlands Netwerk Intersekse/DSD) komen daarom met een handreiking voor sociaal werkers en gemeenten. We lichten er vijf vragen met antwoorden uit.

1. Wat is intersekse?

Intersekse verwijst naar de ervaringen van mensen die geboren zijn met een lichaam dat niet past binnen de normatieve definities van man en vrouw. Intersekse gaat niet over seksuele oriëntatie of genderidentiteit. De meeste intersekse personen hebben een mannelijke of vrouwelijke genderidentiteit en zijn heteroseksueel. Maar net als andere mensen kunnen zij ook een lesbische, homoseksuele of biseksuele oriëntatie hebben of zich identificeren als transgender.

Intersekse wordt ten onrechte geassocieerd met transgender

Intersekse is een variatie op wat als de mannelijke of vrouwelijke sekse wordt beschouwd. Bijvoorbeeld meisjes geboren met XY-chromosomen en jongens met XX-chromosomen. Of jongetjes met een vagina en meisjes met een clitoris die zo groot is als een kleine penis. De variatie tussen intersekse personen is groot. Soms is al vanaf de geboorte bekend dat er sprake is van een intersekse kind. Maar er zijn ook mensen die niet weten dat ze een intersekseconditie hebben. Zij kunnen hun hele leven kampen met onbegrepen lichamelijke of geestelijke klachten.

Intersekse wordt ten onrechte vaak geassocieerd met transgender. In tegenstelling tot transgender personen hebben intersekse personen vaak geen zeggenschap gehad over de medische behandelingen die ze hebben ondergaan. Voor intersekse personen is niet zozeer de perceptie van de eigen sekse het vraagstuk, maar de schaamte en het stigma als gevolg van het maatschappelijke taboe op intersekse, waardoor aansluiting bij de rest van de maatschappij soms moeilijk is.

2. Hoeveel intersekse personen zijn er?

Het Sociaal en Cultureel Planbureau schat dat 1 op de 200 mensen een intersekse conditie heeft. Dat betekent dat er ongeveer 85.000 mensen in Nederland zijn met een vorm van intersekse. Mensen die niet weten dat ze een intersekseconditie hebben of die nooit medische behandeling hebben gehad zijn hierin ook meegeteld.

3. LHBT of LHBTI?

Net als lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders (LHBT’s) hebben ook intersekse personen last van stigmatisering, schaamte en gevoeligheden rondom (zelf)acceptatie, relatievorming, seksualiteit en het wel of niet krijgen van kinderen. Het lijkt daarom logisch de I toe te voegen aan LHBT. Voor intersekse personen ligt een dergelijke alliantie echter gevoelig en is zeker niet vanzelfsprekend (SCP 2014 en Van Heesch 2015). Zo is er niet voor iedereen sprake van een gedeelde identiteit of gemeenschap op basis van intersekse. Velen zien zich niet als intersekse, maar als mannen en vrouwen met een geheim. Sommige intersekse personen zijn LHBT en accepteren zichzelf als zodanig, maar durven nog niet over hun intersekse conditie te vertellen. Bij anderen leeft de angst dat het hebben van een intersekseconditie verward zal worden met bijvoorbeeld homoseksueel of transgender zijn. Intersekse personen voelen zich dus niet vanzelfsprekend verbonden met LHB en T en dat is andersom net zo.

Maar ook al zijn er grote verschillen tussen de groepen, de I toevoegen kan wel bijdragen aan erkenning en zichtbaarheid. Juist meer informatie en aandacht voor intersekse kan leiden tot meer emancipatie en begrip. Maar achteloos of onjuist LHBTI-beleid voeren zonder dat het daadwerkelijk over de I gaat, werkt marginaliserend of roept vragen op. Kortom, het hangt van het thema en de context af of LHBT of LHBTI passender is. Voor gemeenten en organisaties is het belangrijk om hier bewust een keuze in te maken en vóór het toevoegen van de I contact te zoeken met de betreffende belangenorganisaties. De Nederlandse regering kiest er in het nieuwe emancipatiebeleid voor om de I aan LHBT toe te voegen.

LHBT of LHBTI internationaal
Op internationaal gebied hebben verschillende LHBT-organisaties inmiddels beleid voor intersekse ontwikkeld en werken daarin nauw samen met de interseksegemeenschap. De wereldwijd opererende koepel voor LHBTI-organisaties, ILGA, heeft de I al in 2008 toegevoegd. ILGA werkt samen met intersekseorganisaties aan belangenbehartiging bij o.a. de Verenigde Naties en het Europees Parlement.

4. Wat kunnen gemeenten doen?

Gemeenten voeren de regie in het voorkomen van uitsluiting en discriminatie. In een deel van de gemeenten is daarom een LHBT-beleid geformuleerd, waaronder in de 45 Regenboogsteden. De gemeente Amsterdam zette in 2015 als eerste het LHBT-beleid voort als LHBTI-beleid. Een aantal tips om intersekse in het lokale beleid op te nemen:

  • Overleg met belangenorganisaties van intersekse personen. Vraag hen om deel te nemen aan lokale platforms, raden en overleggen.
  • Stimuleer de bespreekbaarheid van het onderwerp, ook binnen de eigen organisatie. Doe dit in samenwerking met LHBT(I)- en intersekseorganisaties.
  • Wees alert op het feit dat er sprake kan zijn van schaamte en angst voor openheid. Breng het onderwerp ook onder de aandacht bij professionals en vrijwilligers in zorg en welzijn. Maak bekend waar mensen met klachten en vragen over discriminatie terecht kunnen.
  • Mensen die discriminatie ervaren, kunnen zich melden bij de regionale Anti Discriminatie Voorziening (ADV) of het antidiscriminatiebureau. Volgens het College voor de Rechten van de Mens kunnen zij een beroep doen op ‘discriminatie op basis van geslacht’.
  • Denk binnen het Wmo-beleid voor kwetsbare burgers ook aan intersekse personen. Spreek met uitvoerders van het beleid af dat er aandacht is voor de specifieke uitdagingen voor intersekse personen.
  • Ondersteun (zelf)organisaties van intersekse personen op een zelfde manier als andere belangenorganisaties, financieel of anderszins. Draag uit dat deze groepen en organisaties een beroep kunnen doen op gemeentelijke ondersteuning.
  • Neem contact op met NNID, als belangenorganisatie voor intersekse personen. Ga samen na hoe de gemeente aandacht kan besteden aan inclusieve en intersekse-vriendelijke zorg.

5. Wat kunnen sociale professionals doen?

  • Dring bij beroepsopleidingen en zorg- en welzijnsinstellingen aan op meer aandacht voor intersekse, zodat (toekomstige) professionals beter voorbereid zijn op de gevolgen ervan.
  • Zorg voor deskundigheidsbevordering voor training of e-learning. Zo kunnen professionals kennis vergaren, signalen leren herkennen en het thema op het netvlies krijgen. Oefen bijvoorbeeld met casussen en bespreek signalen tijdens intervisie- of teamvergaderingen.
  • Ga ervan uit dat er intersekse personen onder uw cliënten zijn. Bedenk dat zij vaak niet vanzelfsprekend (durven) praten over hun medische geschiedenis. Ze kunnen gedurende hun leven te maken hebben (gehad) met schaamte, onbegrip, discriminatie of verlies van sociale contacten in verband met hun intersekseconditie.
  • Houd in gedachten dat intersekse personen het onderwerp zelf niet altijd bespreekbaar (willen) maken.
  • Verwijs mensen die behoefte hebben aan contact met andere intersekse personen door naar relevante organisaties. Dat kunnen patiëntenorganisaties zijn of een organisatie als OII Nederland. Een overzicht van deze organisaties is te vinden op de website van NNID.

Reacties

Reageer op dit artikel

1 + 2 =
Los deze eenvoudige rekenoefening op en voer het resultaat in. Bijvoorbeeld: voor 1+3, voer 4 in.