'De antwoorden zijn er al, nu de vragen nog'

Mandy Mienes over LHBT’ers binnen de Wmo zoals verschenen in WMO magazine
artikel - 11 juli 2014
Afbeelding bij 'De antwoorden zijn er al, nu de vragen nog'

‘Binnen de Wmo zijn LHBT’ers nog niet genoeg in beeld: ze zitten vaak niet in de Wmo-adviesraad. Als je nagaat dat een op de tien mensen homoseksuele, lesbische, biseksuele of transgender-gevoelens heeft, dan gaat het om een groep van 600 personen, gesteld dat er naar schatting zo’n 6000 mensen bestaan met een Wmo-indicatie. Dat is een groep die je als gemeente niet kunt veronachtzamen.’

Dat stelt Mandy Mienes, adviseur participatie en emancipatie bij kenniscentrum Movisie in Utrecht. Zij neemt deel aan een project waar 41 gemeenten met een LHBT-beleid bij betrokken zijn. Zij hebben extra overheidsgelden gekregen om het lokale beleid op dit punt een impuls te geven. Verbetering van de zichtbaarheid, veiligheid en beeldvorming – daar draait het om. Binnen dat algemene kader hebben de gemeenten hun eigen speerpunten. Ze zetten zich bijvoorbeeld speciaal in voor ouderen of jongeren, voor onderwijs of voor het tegengaan van discriminatie in de sport.

In de omgang met LHBT’ers valt nog veel te verbeteren. Mienes: ‘Stel dat een homoseksuele man of lesbische vrouw te maken krijgt met voorzieningen in een gemeente, bijvoorbeeld de thuiszorg of een instelling. Dan wordt er bij de behoeftepeiling aan de cliënt gevraagd, als het om een vrouw gaat: hebt u een man? En als het om een man gaat: hebt u een vrouw? Is de cliënt homoseksueel, dan voelt die zich meteen niet gekend en gaat de deur op slot: de cliënt zal er niet over piekeren om iets over het gevoelsleven te vertellen. Veel beter is het om de vraag neutraal te maken: hebt u een partner?
Als hulpverlener of moet je iets weten over de achtergronden van LHBT’ers. Stel dat het gaat om mensen van boven de tachtig, dan moet je je realiseren dat zij hebben geleefd in een tijd dat homoseksualiteit taboe was. Familie hebben ze misschien niet meer, wie weet zijn ze getrouwd geweest en hebben ze kinderen, maar is het contact verbroken. In zulke gevallen is mantelzorg niet bepaald vanzelfsprekend.’

De hulpverlener moet bijvoorbeeld ook op de hoogte zijn van geloofsachtergronden van jongeren. Wie moslim of orthodox christen is, kan grote problemen krijgen door een coming-out. Een dubbelleven, hoe lastig ook, is daarom een reële optie. Soms vinden ouders het goed dat hun kinderen een eigen leven leiden, als ze er zelf maar niet mee worden geconfronteerd.

Transgenders die in hun transitie zitten of LHBT’ers die een ongeluk hebben gehad en nu leven met een beperking, ‘ook dat zijn groepen die extra aandacht en ondersteuning nodig hebben,’ zegt Mienes. ‘Hoe gaan hulpverleners en werkgevers met hen om? Is er voor hen ruimte op de werkvloer en bij instellingen, is er beleid dat op hen is toegespitst? Allemaal vragen die moeten worden gesteld. Maar binnen de Wmo en de decentralisaties wordt er niet zo gauw gedacht aan deze groepen. Dat is mijn werk: de Wmo implementeren met aandacht voor de LHBT-groep. Gelukkig zijn er instellingen die hierover goed geïnformeerd zijn, maar dat is een minderheid. Ik denk dat ze per gemeente op de vingers van één hand te tellen zijn.’

Regiobijeenkomsten

Binnen het Movisie-project worden in het hele land regiobijeenkomsten gehouden voor lokale beleidsmakers. Mienes: ‘We zorgen voor deskundige sprekers, en we wijzen op bestaand materiaal. Stel dat een gemeente in het onderwijs meer aandacht wil besteden aan het LHBT-onderwerp, dan kunnen wij attenderen op methodes die werken. We kunnen advies op maat geven.’

Een belangrijk onderwerp van de regiobijeenkomsten is: monitoren. Mienes: ‘Wanneer je als gemeente bijvoorbeeld tweejaarlijks een monitor houdt, kun je de resultaten zien van je inzet. Monitor je op veiligheidsgevoelens van LHBT’ers in jouw gemeente en komt daar uit dat veel mensen zich onveilig voelen, dan kun je daarna afspraken maken met het LHBT-team van de politie (Roze in Blauw) of het bureau discriminatiezaken. Je legt dan voor: we willen dat mensen zich veilig voelen bij het aanmelden van een delict. Anti-homodelicten worden bij aangifte lang niet altijd serieus genomen. Sinds de komst van Roze in Blauw zijn daar gelukkig goede protocollen voor. Ook de bureaus discriminatiezaken besteden er over het algemeen aandacht aan.’
Roze in Blauw bestaat in Amsterdam, Utrecht, Rotterdam en Den Haag. In kleinere gemeenten is het lastiger om goed door te verwijzen. Degene die aangifte doet, moet maar afwachten wat de houding van de politie is. Die kan zomaar zeggen: heb je dat scheldwoord wel goed verstaan? Heb je dat woord niet verkeerd opgevat? Mienes: ‘Een agent van Roze in Blauw heeft meer feeling met de materie, voelt sneller aan wat er aan de hand zou kunnen zijn. Hij is meer gespitst op discriminatoir schelden en zal niet gauw de houding aannemen van “ach, iedereen wordt wel eens uitgescholden”. Doorvragen is ontzettend belangrijk. Stel dat dat schelden al jaren aan de gang is en dat de uitgescholden persoon nu eindelijk naar de politie durft te stappen. Dan is er veel meer aan de hand dan je op het eerste gezicht zou denken.

In kleine gemeenten kan het dus eventueel verkeerd uitpakken als je aangifte komt doen. Maar dat is natuurlijk geen wetmatigheid. In Alkmaar bijvoorbeeld, een stad die geen Roze in Blauw kent, bestaat wel een driehoeksoverleg tussen de politie, de gemeente en het anti-discriminatiebureau. Er is in dat overleg expliciet aandacht voor LHBT-discriminatie. Wat wij graag willen bij de decentralisatie is dat gemeentes een regiefunctie krijgen op dit soort speerpunten, dus op thema’s waar ze goed in zijn.’

Allianties

Tijdens de regiobijeenkomsten komt ook het thema ‘allianties’ ter sprake: samenwerkingsverbanden of ‘bruggen’ tussen de homo- en de heterowereld. Op scholen bestaan Gay-Straight Alliances (GSA’s). Scholen die zich daarvoor opgeven krijgen materiaal om LHBT-onderwerpen bespreekbaar te maken en om vertrouwenspersonen aan te stellen. De jongeren kunnen dan op hun eigen school, samen met leerkrachten, werken aan een goed onderwijsklimaat voor LHBT’ers. Het is de bedoeling dat er in de klas over het onderwerp wordt gepraat. Movisie fungeert als spin in het web: wij kennen de methodes die je hiervoor kunt gebruiken en we verwijzen daarnaar.’

In de sportwereld bestaat de Alliantie GelijkSpelen. Mandy Mienes: ‘Er zijn zes gemeenten die we ondersteunen bij het realiseren van een homovriendelijk sportbeleid. Er wordt dan samengewerkt met de gemeente, met het gemeentelijk sportbedrijf en verenigingen. Heel belangrijk, want “homo” is nog steeds het meest gebruikte scheldwoord op sportvelden. Hoe kun je dat tij keren? Er zijn verschillende methodieken voor en een aantal professionele ex-voetballers werkt eraan mee. Zij doen hun verhaal, zij vertellen wat het met je doet als je wordt uitgescholden voor homo of als je coach zegt: je bent toch geen mietje? Zulke opmerkingen hebben ertoe geleid dat voetballers jarenlang in de kast bleven en er pas na hun voetbalcarrière uit kwamen. De ene voetballer kan een professionele carrière dan toch aan, de andere stopt. Zelfmoordgedachten zijn geen zeldzaamheid. Wij kunnen methodes aanreiken aan iedere gemeente die ons vraagt: hoe zorg je voor een homovriendelijk sportklimaat?’

Uitstraling en informatie

Ook op een eenvoudige manier kan een gemeente laten blijken dat ze de LHBT-groep een warm hart toedraagt. Op haar site kan ze vermelden welke homo-belangenorganisaties er zijn, of waar je als LHBT-jongere anoniem naartoe kunt voor adviezen. Mandy Mienes: ‘En zet niet alleen standaardfoto’s op de gemeentesite, maar kies ook eens – op de pagina die gaat over de burgerlijke stand – voor twee mannen of twee vrouwen die in het huwelijk treden. Of plaats een foto van twee mannen of twee vrouwen met een kindje. Zulke informatie en zulke foto’s betekenen: je bent hier welkom, we hebben aandacht voor je, bij ons is iedereen gelijk.’

Mienes geeft een ander voorbeeld van een eenvoudige manier om informatie te geven: ‘Sommige gemeenten hebben gezorgd dat er een roze boekenkast is in de bibliotheek. Daar kan iedereen zijn informatie halen. Zoiets is zo eenvoudig te regelen en tegelijk is het zo ontzettend belangrijk. Het zou in ieder geval mooi zijn als alle 41 gemeenten van dit project aan het eind van de projectperiode informatie over LHBT-zaken op hun site hebben staan. Informatie op de site zetten – daar begint het mee, dat is zo ongeveer het meest basale wat een gemeente kan en moet doen.’
Het Movisie-team waar Mienes deel van uitmaakt, kan gemeenten advies op maat geven: ‘Stel dat een gemeente meer aandacht wil gaan geven aan onderwijs, dan kunnen wij diverse methodes aanreiken. Een gemeente heeft bijvoorbeeld gevraagd: we willen onze burgers monitoren en in ons internet-panel willen we LHBT-vragen opnemen, hoe pak je dat aan? Dan helpen we ze verder. Zulke vragen krijg ik nog te weinig. De antwoorden zijn er al, de vragen worden alleen nog niet vaak genoeg gesteld.’

Borgen

Een heleboel gemeenten doen het goed, zeker als het gaat om informatievoorziening op de website. Enschede schrijft op haar site over LHBT-informatie. Amersfoort heeft een educatieve agenda op de site staan, waar ook LHBT’ers veel van hun gading kunnen vinden. Middelburg, Vlissingen en Goes zijn actief in de aanpak van homojongeren en suïcide. Mandy Mienes: ‘Ze hebben daar te maken met veel verschillende geloofsovertuigingen en toch hebben ze zo’n succesvol project opgezet. Ze werken goed samen. Nijmegen borgt het LHBT-beleid in de Wmo-nota; het wordt daarin expliciet benoemd. Ook in de vier grote steden is er voldoende aandacht en dat blijft zo, daar hoeven we niet bang voor te zijn.

Als je beleid goed borgt, hoef je je na verkiezingen weinig zorgen te maken dat een ander college het niet overneemt. Borgen kun je bijvoorbeeld doen door een nota met een tijdschema te schrijven. Je kunt daarin zwart op wit aangeven: “Tot 2020 werken we aan LHBT-beleid en daar stellen we jaarlijks een x-bedrag voor ter beschikking.” Keiharde garanties geeft dat trouwens niet: een nieuw college kan “breken”, dus de afspraken van een vorig college aan de kant schuiven. Maar spitst een gemeente haar beleid niet meer toe op LHBT’ers, dan zal ze toch in elk geval doorlopend aandacht moeten houden voor de diversiteit van de samenleving. Dat onderwerp kun je niet meer van tafel vegen.’

Belangrijk is, dat de gemeente-ambtenaar die gaat over LHBT-beleid het gesprek aangaat met collega-ambtenaren die zich bezighouden met sport, veiligheid of onderwijs. Dan krijg je mainstreaming binnen de hele gemeente. Mienes: ‘Zet eens roze koeken op tafel en vraag aan je collega: wat doe jij eigenlijk op LHBT-gebied? Dan is vaak de reactie: homoseksualiteit is toch geen probleem meer? In zo'n geval kan de LHBT-ambtenaar zeggen: ik heb hier wat cijfers, daaruit blijkt dat het nog wél een probleem is. Ook buiten het ambtenarenkorps kun je natuurlijk ook over het onderwerp gaan praten, bijvoorbeeld met onderwijs- en zorginstellingen. Je kunt als gemeente af en toe een debat voeren over het LHBT-onderwerp. Zo zorg je dat het blijft leven.’

Het gemeenteproject van Movisie is in z’n laatste jaar. Als het eind 2014 afloopt, heeft het tweeënhalf jaar geduurd. Mandy Mienes: ‘Nu is het dus de vraag of de aandacht voor LHBT’ers bij het gemeentelijk beleid overeind blijft. Los van de grote steden zie ik veel in samenwerking, zoals in Haarlem en omliggende gemeenten. Kleinere gemeenten moeten de handen ineenslaan om LHBT-beleid uit te voeren en te zorgen dat LHBT’ers in de Wmo-raad terechtkomen. Je kunt bijvoorbeeld een ‘roze adviescommissie-LHBT’ opzetten, zoals dat in Utrecht is gebeurd. Dan heb je in feite een adviesraad voor het gemeentebeleid. Het is niet zo moeilijk om een zo’n regionale groep op te zetten, alleen: het moet wel worden georganiseerd. Iemand moet die kar trekken.’


Najaar 2014 verschijnt een nieuwe versie van de Roze gemeentegids, samengesteld door Judith Schuyf en Els Meijsen. Deze publicatie van Movisie geeft een beeld van het lokale LHBT-beleid in Nederland. Eerder verschenen bij Movisie een handreiking over decentralisaties en een factsheet over borging van gemeentebeleid voor LHBT’ers.

Foto: Daan Stringer

 

Kennisdossier
Trefwoorden

Reacties

Reageer op dit artikel

11 + 2 =
Los deze eenvoudige rekenoefening op en voer het resultaat in. Bijvoorbeeld: voor 1+3, voer 4 in.