Arbeidsparticipatie Marokkaanse-Nederlandse jongeren met een beperking

6 manieren om de drempels voor arbeidsparticipatie te verlagen
artikel - 17 oktober 2013
Afbeelding bij Arbeidsparticipatie Marokkaanse-Nederlandse jongeren

Marokkaans-Nederlandse jongeren met een beperking hebben het moeilijk op de arbeidsmarkt. De jongeren zijn slecht in beeld bij hulpverleners en werkgevers. MOVISIE en het Samenwerkingsverband Marokkaanse Nederlanders (SMN) gingen op zoek naar oorzaken en oplossingen.

Projectleider Jamila Achahchah: ‘Dit is de onderste laag die altijd buiten de regelingen valt.’

Onderzoek

MOVISIE en SMN voerden een kwalitatief onderzoek uit onder 30 Marokkaans-Nederlandse jongeren met een lichamelijke beperking. Onderzocht werd wat belemmerende en stimulerende factoren zijn voor deze jongeren om te participeren in het algemeen, en in het bijzonder op de arbeidsmarkt. Resultaat: het rapport 'Marokkaans-Nederlandse jongeren met een beperking: kansen en drempels van een (on)zichtbare groep'.

Doelgroep heeft dubbele handicap

De doelgroep van Marokkaans-Nederlandse jongeren met een beperking heeft een dubbele handicap, aldus Achahchah. ‘Uit onderzoek blijkt steeds weer dat werkgevers bij gelijke geschiktheid de voorkeur geven aan een autochtone kandidaat. Dus dat gegeven komt er nog eens bij, naast de lichamelijke beperking. Werkgevers en overheden moeten zich er bewust van worden dat deze doelgroep de onderste laag is, die altijd buiten de regelingen valt. Daarom werkt een arbeidsquotum ook niet voor deze groep. Zij zitten toch niet bij die eerste vijf procent die aangenomen wordt. Het moet vanuit de ziel opgelost worden, vanuit interesse voor de doelgroep. Want vanuit de regels gebeurt het dus niet.‘

Taboe

Bij de start van het onderzoek bleek het erg lastig om respondenten te vinden. Achahchah: ‘We hebben via heel veel organisaties gezocht, van scholen tot ziekenhuis en van moskeeën tot fondsen die zich op gehandicapten richten. Het beste kanaal bleek uiteindelijk toch de jongere zelf te zijn. We hebben met een peergroup van zeven jongeren gewerkt en zij hebben de meeste andere jongere gevonden.‘

Achahchah is zelf van Marokkaanse komaf en heeft wel een verklaring voor de onzichtbaarheid van de doelgroep. ‘In veel Marokkaanse gezinnen met een gehandicapt kind is er schaamte. Een stagiaire die meewerkte aan het onderzoek kwam er pas een paar maanden geleden achter dat ze een gehandicapte nicht van achttien heeft! Ouders zoeken zelf naar oplossingen en maken weinig gebruik van de beschikbare hulpverlening.’ De ontwikkeling van de jongeren in kwestie wordt door hun naaste omgeving niet altijd gestimuleerd, zo weet Achahchah. ‘Ouders zien en behandelen hen soms als patiënten, die vooral verzorgd moeten worden. In Marokkaanse gezinnen speelt overbescherming waarschijnlijk vaker een rol dan bij autochtone gezinnen. En overbescherming kan ertoe leiden dat jongeren weinig zelfvertrouwen hebben en weinig assertief zijn, waardoor ze moeilijker zelfstandig de weg kunnen vinden naar de arbeidsmarkt. Soms leek het of de respondenten het allemaal prima vonden, omdat ze niets anders kennen. Soms zeiden ze zelf ook: “Wat is het probleem?” Maar het gebrek aan strijdlust is iets anders dan echt tevreden zijn. Die acceptatie is aangeleerd. Totdat de wereld open gaat, wijder gemaakt wordt.

Cijfers

Bij de achterblijvende arbeidsparticipatie speelt de grote afstand tot ondersteuningsinstanties ook een rol. Achahchah: ‘Als de ouders zich tin de opvoeding al richten op hulpverleners, is de taal en de onbekendheid met het Nederlandse zorgsysteem vaak een probleem. En hulpverleningsinstanties zelf hebben vaak niet de juiste informatie en ze sluiten slecht aan bij de belevingswereld van de doelgroep. Als je kijkt naar de informatievoorziening vanuit school en het UWV bijvoorbeeld, die bereikt de jongeren en de ouders lang niet altijd.’

Hoeveel Marokkaanse-Nederlandse jongeren met een beperking zijn er eigenlijk? ‘Er zijn geen exacte cijfers bekend. Maar de gedachte is dat er relatief veel allochtonen kinderen en jongeren  met een fysieke en/of verstandelijke handicap zijn, in vergelijking met allochtonen kinderen. Instanties schatten dat in Marokkaans-Nederlandse gezinnen ongeveer twee keer zo vaak een kind met een handicap is als in Nederlandse gezinnen. Dat komt door de neef-nicht huwelijken, die geven een grote kans op erfelijke afwijkingen. Zestig procent van de huwelijke is een neef-nicht huwelijk. Ik schat het aantal Marokkaans-Nederlandse jongeren met een beperking op ergens tussen zes- en vijftienduizend.

Hoe verlagen we de drempels voor arbeidsparticipatie?

Hoe kunnen de betrokken partijen (o.a. gemeenten, zelforganisaties, ondersteunende organisaties en werkgever) de drempels verlagen voor de arbeidsparticipatie van Marokkaans-Nederlandse jongeren met een beperkingen? Projectleider Jamila Achahchah neemt de aanbevelingen uit het rapport 'Marokkaans-Nederlandse jongeren met een beperking' door.

1: Doorbreek het taboe en geeft voorlichting

‘Door het taboe bespreekbaar te maken verminder je de schaamtegevoelens waardoor een negatief zelfbeeld kan ontstaan. En je vermindert ook de schroom van de ouders en de jongeren zelf om hulp te vragen. Het taboe wegnemen kan via zelforganisaties, moskeeën en sleutelfiguren uit de Marokkaanse gemeenschap. Zij kunnen voorlichtingsbijeenkomsten organiseren, over de situatie van gehandicapte kinderen en jongeren. Dan kunnen ze meteen ook de ouders informeren over de mogelijkheden die er zijn voor ondersteuning. Het kan ook door artikelen of reportages in media die veel door Marokkaanse Nederlander worden gelezen of bekeken. Succesvolle gehandicapten jongeren zouden daarin hun ervaringsverhalen kunnen vertellen. Je kunt het taboe verder ook nog bespreekbaar maken door Marokkaans-Nederlandse ouders een training of cursus aan te bieden. In zo’n training moet dan specifiek aandacht zijn voor het taboe en de manier waarop in Marokkaanse gemeenschappen wordt omgegaan met mensen met een handicap.’ Achahchah is van mening dat gemeenten in dit verband ook een taak hebben. ‘Gemeenten hebben de taak om voorlichting te geven aan hulpverlenende instanties als het CJG. Dan weten de hulpverleners beter hoe ze er mee om moeten gaan en vinden ze beter de balans tussen te weinig en te veel aandacht voor de achtergrond en de bijbehorende problemen.

2: Verstevig zelfvertrouwen en geloof in eigen kunnen

‘De jongeren geven zelf aan dat een optimistische houding en ondernemende instelling van groot belang zijn bij het participeren. Dus het is belangrijk het zelfvertrouwen en het geloof in eigen kunnen te verstevigen. Dat kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld door lotgenotencontact, waar ze van elkaar kunnen horen hoe ze omgaan met het hebben van een handicapt. De jongeren blijken daar grote behoefte aan te hebben. Tijdens zulke bijeenkomsten moet er aandacht zijn voor het ontwikkelen van een actieve en positieve houding, het accepteren van de eigen handicap, en het durven praten over de handicap.’ Een andere aanbeveling luidt het aanbieden van assertiviteitscursussen. Achahchah: ‘Bij die trainingen moet dan net als bij de lotgenotencontacten weer aandacht zijn voor dezelfde onderwerpen. En nog een andere mogelijkheid is dat je cursussen of trainingen aanbiedt die gericht zijn op het ontdekken van competenties en talenten. Hierdoor krijgen de jongeren een beter beeld van wat ze kunnen. Daardoor kunnen ze meer zelfvertrouwen krijgen. Je kunt dan denken aan EVC-procedures, waarmee de verworven competenties erkend worden.

3: Bied ondersteuning die aansluit bij behoeften en culturele achtergrond

De toegang tot en het gebruik van de voorzieningen kan volgens Achahchah verbeterd worden. ‘Hulpverlenende instanties zoals MEE en zorg- en welzijnsinstellingen moeten voorgelicht worden over het taboe dat er in de Marokkaanse gemeenschap is als het over handicaps gaat, en de gevoeligheden die hiermee samenhangen. Dan kunnen de instanties beter rekening houden met de jongeren en hun ouders. Aan de andere kant moet je oppassen dat je niet te veel aandacht schenkt aan de culturele achtergrond, want dat kan juist ook belemmerend werken.‘

Informatie over ondersteuning moet zo laagdrempelig en vertrouwd mogelijk aangeboden worden, weet Achahchah. ‘Bijvoorbeeld via scholen, gehandicaptensport en de huisarts. En verder moeten ondersteunende organisaties niet alleen afwachten tot mensen op hen afkomen, maar zelf de doelgroep opzoeken. Bij Marokkaans-Nederlandse ouders is er vaak een grote afstand tot het Centrum voor Jeugd en Gezin, omdat ze bang zijn dat de problemen bij anderen bekend worden. Als CJG moet je de laagdrempeligheid benadrukken en het onderscheid tussen CJG en jeugdzorg altijd helder uitleggen. Ouders, zeker Marokkaanse-Nederlandse ouders, herkennen dat verschil vaak niet.’

‘Je moet zorg en ondersteuning organiseren op de plekken waar de jongeren en hun ouders sowieso al komen of in elk geval naartoe durven. Als CJG moet je ook zorgen voor goede zichtbaarheid bij de andere hulpverleners zoals huisarts, scholen en gehandicaptensport.’

4. Bied scholen belang bij het stimuleren van participatie

Scholen moeten belang hebben bij activiteiten die leiden tot het vergroten van participatie-mogelijkheden van jongeren die (anders) in de Wajong terechtkomen. Achahchah: ‘De RMO (Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, TK) signaleerde dat een paar jaar geleden ook al, mar het is nog steeds actueel. Scholen schieten er nu niets mee op als ze de ambitie hebben om jongeren uit de Wajong te houden. Al heel jong ontstaat er iets dat lijkt op een grote Wajong productielijn. Dit is hoe het gaat in de praktijk: scholen krijgen wel extra middelen voor jongeren die dat nodig heggen, maar alleen bij bewezen ‘handicaps’ en diezelfde bewezen ‘handicaps’ sorteren voor, voor de Wajong. Terwijl het omgekeerde voor scholen van belang zou moeten zijn: iedere jongere begeleiden naar participatie volgens zijn mogelijkheden. Extra investeringen die een school daarvoor doet, moeten beloond worden.

5. Bied goede subsidievoorwaarden en eenvoudige regelgeving

Bij gelijke geschiktheid zijn werkgever over het algemeen geneigd om een jonge werknemer zonder beperkingen aan te nemen. Achahchah: ‘Als je de arbeidsparticipatie onder jongeren met een beperking wilt bevorderen, moet je serieuze financiële voordelen voor werkgevers regelen. Ook de regelgeving moet eenvoudig zijn, werkgevers hebben een hekel aan administratieve rompslomp. Maar nogmaals: dit is zo’n lastige doelgroep, die blijft het langst in de kaartenbak zitten. Het moet vanuit de werkgever zelf komen, vanuit interesse voor de doelgroep. De houding van de werkgevers moet veranderen. En vervolgens zijn ze zeer geholpen met eenvoudige regelgeving en een goede financiële compensatie.

6. Bied jongeren kansen en geef zelf het goede voorbeeld

‘Juist omdat het zo’n lastige doelgroep is, is het belangrijk dat potentiële werkgevers deze jongeren kansen geven. De publieke sector moet daarbij een voorbeeldrol op zich nemen, vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het gaat daarbij trouwens niet alleen om betaalde functies, maar  ook om het creëren van stageplekken waar ze werkervaring kunnen opdoen en aan hun zelfvertrouwen kunnen werken. Met stageplekken kunnen de werkgevers zelf ook ervaring opdoen. In veel gevallen zullen ze dan merken hoe groot de motivatie onder deze jongeren is. En ook zal blijken dat meestal maar kleine aanpassingen op de werkplek nodig zijn, waar bovendien subsidie voor beschikbaar is.‘

Artikel uit Sociaal Bestek, augustus/september 2013. Auteur: Tea Keijl. U kunt dit artikel hieronder ook downloaden in de oorspronkelijke opmaak.

 

DownloadsTypeGrootte
SociaalBestek130809_arbeidsparticipatie pdf1.3 MB

Reacties

Reageer op dit artikel

14 + 5 =
Los deze eenvoudige rekenoefening op en voer het resultaat in. Bijvoorbeeld: voor 1+3, voer 4 in.