‘Baat het niet dan schaadt het niet? Daar gaan we niet meer voor’

Rotterdam doet 'wat werkt'
artikel - 30 november 2017

Als één gemeente ambitieus inzet op doen wat werkt, dan is het Rotterdam. De Maasstad streeft naar meer jeugdinterventies die bewezen effectief zijn. Of tenminste goed onderbouwd. 'Zodat we optimaal bijdragen aan waar om gaat: dat onze jeugd kansrijker, veiliger en gezonder opgroeit.’

‘Rotterdam verspreidt een prettig virus.’ Zo verwoordde Tom van Yperen, expert van het Nederlands Jeugdinstituut, het onlangs. Hij doelt daarmee op de verstrekkende wijze waarop Rotterdam zijn jeugdbeleid probeert te onderbouwen en effectief te maken. Er zijn meer gemeenten die dat willen, maar geen daarvan toont zich zo ambitieus als de tweede stad van Nederland.

Doen wat werkt, dat klinkt heel logisch. Waarom zou je activiteiten financieren die niet het gewenste effect hebben of niet zijn onderbouwd? ‘Maar zo logisch is dat in de praktijk niet. Vaak gaat het dan meer om aantallen trajecten,’ zegt beleidsadviseur jeugd Eiskje Clason. 'Dat is wezenlijk anders. We willen nu dat het daadwerkelijk werkt of zou kunnen werken. Dat activiteiten bewezen effectief zijn of in elk geval onderbouwd. Zodat we daadwerkelijk bereiken waar het ons om gaat: dat onze jeugd kansrijker, veiliger en gezonder opgroeit.’

Wilt u als gemeente ook meer sturen op doen wat werkt?
Neem dan 25 januari 2018 deel aan het gratis webinar Doen wat werkt – Hoe stuur je gericht op resultaat.

Rotterdam groeit

Het centraal stellen van effecten en onderbouwing kreeg in Rotterdam gestalte bij de vorming van Rotterdam groeit, de naam van het nieuwe jeugdbeleid voor 2015-2020. Dit borduurde voort op het programma Drugs en Alcohol uit 2010, waarbij effectiviteit en wetenschappelijke onderbouwing voor het eerst belangrijke uitgangspunten waren. Met succes: in vier jaar tijd halveerde het alcohol- en drugsgebruik onder 14- en 15-jarige Rotterdammers.

De eerste en belangrijkste stap was het vaststellen van de ambitie. Die luidde dat de Rotterdamse jeugd kansrijker, veiliger en gezonder opgroeit. Ook dat lijkt een open deur.  ‘Maar we gingen altijd uit van hoe we iets wilden,’ zegt programmamanager jeugdbeleid Denis Wiering. ‘Nu begonnen we bij het gewenste maatschappelijke effect. Van daaruit zijn we gaan terugredeneren.’

Een belangrijke vervolgstap was het ontrafelen van de beschermende factoren en risicofactoren die bij het gewenst effect een rol spelen. De gemeente ploos de wetenschappelijke literatuur door en stak zijn licht op bij zes hoogleraren met elk een eigen perspectief op jeugdbeleid. ‘We stelden vast dat sociaal-emotionele vaardigheden van kinderen onze topfactor is. Die draagt het sterkst bij aan ons gewenste maatschappelijke effect,’ zegt Wiering. De financiën worden daarop aangepast. In 2014 besteedde Rotterdam ongeveer 300.000 euro aan jeugdactiviteiten die sociaal-emotionele vaardigheden van kinderen verbeteren. In 2018 zal er twee miljoen naar uitgaan.

Meeste interventies nu niet onderbouwd

In totaal koopt Rotterdam honderden jeugdinterventies in op uiteenlopende gebieden als opvoedondersteuning, jongerenwerk, verslavingspreventie, schoolmaatschappelijk werk. Het gaat om een totaalbedrag van enkele tientallen miljoenen euro’s per jaar, verdeeld over grote spelers die in de hele stad actief zijn, zoals het Centrum voor Jeugd en Gezin of Indigo (psychische hulp), maar ook over kleine wijkgebonden activiteiten zoals een buurthuis.

Het was even slikken toen na een inventarisatie in 2014 bleek dat slechts 5,2 procent van alle gesubsidieerde jeugdactiviteiten theoretisch is onderbouwd. Niet meer dan 0,5 procent bleek bewezen effectief. ‘Al denk ik dat andere gemeenten op vergelijkbare percentages uitkomen,’ relativeert Clason. Toch baalde ze flink. ‘Vooral omdat veel goede, erkende interventies voor de jeugd niet beschikbaar waren in Rotterdam. De instellingen waarmee wij werken, boden die niet voldoende actief aan.’

Hoe verklaart ze dat? Volgens Clason gaan veel organisaties zo sterk op in de dagelijkse praktijk, dat er geen tijd wordt gemaakt voor reflectie. ‘Waaraan dragen wij bij? Is dit de beste manier om dat te doen?’ Maar de gemeente Rotterdam moet ook bij zichzelf te rade gaan, zegt collega Denis Wiering, programmamanager jeugdbeleid. ‘Het is een gedeelde verantwoordelijkheid. Als een instelling elk jaar een subsidieaanvraag indient waarop bij wijze van spreken alleen het jaartal is aangepast, en de gemeente honoreert dat, dan werk je inhoudelijke luiheid in de hand.’

Masterclasses

Bij de formulering van het nieuwe jeugdbeleid gooide Rotterdam het over een andere boeg: streven naar meer maatschappelijk effect en dus meer effectieve of onderbouwde inzet. Aanbieders moeten daar stapsgewijs naartoe werken. Elk jaar worden daar in de subsidiebeschikkingen nieuwe afspraken over gemaakt.

Grofweg bestaan er twee routes. Aanbieders kunnen gebruik maken van reeds erkende interventies, opgenomen in de verschillende databanken. Of ze maken een duidelijke beschrijving van hun eigen activiteiten en maken de werking ervan aannemelijk. ‘De meeste aanbieders vinden dat redelijk,’ zegt Clason. ‘Evengoed moesten sommige daar wel aan wennen. Omdat ze niet goed wisten hoe ze het moeten aanpakken. Er kwamen veel vragen bij ons binnen.’

De gemeente besloot de aanbieders daarom te ondersteunen. In opdracht van Rotterdam verzorgt Movisie dit jaar masterclasses. Aanbieders leren daarin hoe zij aan de hand van vijf bouwstenen de werking van hun interventies inzichtelijk kunnen maken (goed onderbouwd) en kunnen aantonen dat het effect heeft (bewezen effectief). Ter aanvulling daarop gaven het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) en het Centrum Gezond Leven van het RIVM een workshop. Deze was voor aanbieders die wat verder zijn gevorderd en hun interventies willen laten beoordelen door een onafhankelijke erkenningscommissie, die kan besluiten de interventie op te nemen in een van de databanken effectieve interventies.

Werk aan de winkel

Aan de drie masterclasses die dit najaar plaats vonden namen dertig aanbieders deel, die samen het merendeel van de jeugdsubsidies voor hun rekening nemen. Een belangrijke eerste stap voor de meesten is een heldere beschrijving maken van hun activiteiten. Daaraan ontbreekt het vaak. ‘Vervolgens kunnen ze nagaan of er wetenschappelijke literatuur bestaat over het effect ervan,’ zegt Clason. ‘Dragen huisbezoeken aan ouders bijvoorbeeld inderdaad bij aan het vergroten van opvoedvaardigheden?’ Andere partijen zijn verder en kunnen vooral de effecten van hun activiteiten gaan monitoren.

Verbetering van hun interventies kan betekenen dat die worden erkend door de daartoe bevoegde commissies en opgenomen in een van de databanken. Maar dat is geen doel op zichzelf, benadrukt Clason. ‘Het is een mogelijk gevolg van de stappen die we samen zetten om de kwaliteit van onze jeugdinterventies te verbeteren. De masterclasses zijn daarvoor een ideale manier, omdat je samen een nieuwe taal ontwikkelt. Het is heel makkelijk om te roepen dat iets effectief moet zijn. Maar wat betekent dat? En hoe toon je dat aan?’  

Evengoed, voor de meeste aanbieders is er veel werk aan de winkel, erkent Clason. ’Sommige organisaties zullen dat de moeite niet waard vinden en uitkijken naar andere, erkende interventies waarmee ze hun doelen kunnen bereiken.’

Doen wat werkt
Dit artikel is het derde en laatste in een serie artikelen over hoe gemeenten pionieren met het sturen op kwaliteit en maatschappelijk resultaat en hoe zij daarbij onderbouwd te werk gaan. Bekijk ook het eerste artikel over hoe de gemeente Amsterdam eenzaamheid aanpakt en het tweede artikel over hoe de gemeente Nijmegen een positief klimaat rond seksuele diversiteit op scholen stimuleert. De serie eindigt op 25 januari 2018 met het webinar. Meer weten over sturen op kwaliteit? Bekijk het Kwaliteitskompas, ga naar de InstrumentWijzer of lees Op weg naar outcomegericht werken.

 

Dit is een verkorte versie van de longread die op gemeenten.movisie.nl verscheen.

Tekst: Marcel van Engelen
Foto’s: MacSiers Fotografie

Reacties

Reageer op dit artikel

10 + 4 =
Los deze eenvoudige rekenoefening op en voer het resultaat in. Bijvoorbeeld: voor 1+3, voer 4 in.