Blog: Sociaal werkers zijn te veel werknemers

24 april 2019

De context waarin sociaal werkers werken, is sterk in beweging. De legitimering en erkenning van het vak staat onder druk. Vraag een sociaal werker wat hij doet en hij zegt: ik werk in een wijkteam, ik werk met jongeren, ik ben sociaal makelaar, ik ben schuldhulpverlener. Sociaal werkers voelen zich sterk verbonden met hun doelgroep en met hun organisatie, hun directe collega’s en werkgever. Ze proberen als werknemer hun werk zo goed mogelijk te doen. Movisie-adviseur Sonja Liefhebber vraagt zich in dit essay af 'Maar voelen ze zich ook verbonden met hun beroep of vak?'

In de jaren tachtig ben ik opgeleid tot verpleegkundige, een hbo-verpleegkundige. Ik werd opgeleid tot een verpleegkundige die losser stond van de werkorganisatie, eentje die werkzaam kon zijn in alle velden van de gezondheidszorg. De theoretische component werd stevig neergezet. Vóór die tijd waren er alleen praktijkopleidingen (inservice): verpleegkundigen werden in organisaties opgeleid. De opleiding die ik volgde was redelijk nieuw en was ontstaan om de professionalisering een impuls te geven. Een verpleegkundige moest niet in dienst staan van de arts maar van de patiënt.

Witte Woede

In die periode was er ook een economische crisis, er werd alom bezuinigd en de werkdruk in organisaties nam toe. Er was volop kritiek op de opleiding, de breed opgeleide verpleegkundigen konden nog geen ‘hamer’ vasthouden. De idealen die wij leerden konden niet worden toegepast in de praktijk, er was zelfs geen tijd aan het bed om een praatje te maken met de patiënt. Al snel ontstond de Witte Woede: verpleegkundigen gingen de straat op om op te komen tegen de hoge werkdruk, de salarisachterstand en het gebrek aan erkenning van het beroep. Samen met studiegenoten bezette ik het belangrijke verkeersplein van Alkmaar. We voelden ons sterk en verenigd. Toen ik bij mijn diplomering een eed moest afleggen en een speldje ontving met HBO-V erop was mijn beroepsvorming compleet: ik was verpleegkundige.

'Ik werd geleerd dat ik een zelfstandig beroepsbeoefenaar was''

Kers op de taart

Ik ging niet werken in de verpleging en ging ook geen verplegingswetenschap studeren, maar ging - geboeid door brede sociale kennis en wetenschap sociale wetenschappen studeren. Het verpleegkundige beroep ontwikkelde zich verder: verpleegkundige werd een beschermde titel, men ontwikkelde richtlijnen, protocollen, er kwam een vakbond, een beroepsvereniging, er ontstonden verpleegkundige adviesraden en de overheid stak veel in de ontwikkeling van het vak. Ik kwam intussen terecht bij het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn waar ik me bezig hield met scholingsbehoeften van professionals in zorg en welzijn en als kers op de taart werd ik medeauteur van het Beroepsprofiel van de Verpleegkundige uit 2008. Wat ik tijdens mijn opleiding aan den lijve heb ondervonden is het belang van beroepsontwikkeling. Ik werd destijds niet opgeleid tot een werknemer in een organisatie. Ik werd geleerd dat ik een zelfstandig beroepsbeoefenaar was, die zelf beslissingen moest nemen, een professioneel werkende ‘professional’ met een eigen vakgebied. Los van die van de arts. Een onafhankelijke professional. Natuurlijk was dat destijds niet terug te zien in de praktijk maar er was tenminste een ideaal.

Bijsmaak

In het denken over beroepsvorming wordt vaak de socioloog Mok aangehaald. Mok definieert een beroep als een geïnstitutionaliseerd en gelegitimeerd kader rond een bepaald deel van de maatschappelijke arbeidsverdeling, dat een aantal mensen tegenover anderen beschouwt als het domein dat hun toebehoort. Beroepsvorming ontstaat via verschillende te doorlopen fasen. Via specialisatie en differentiatie ontstaan bepaalde vaste structuren, opleidingen, methoden en eigen jargon. Via legitimering door andere professionals en de samenleving kan een beroep zich verder ontwikkelen tot een stevig ‘erkend’ beroep. In negatieve zin wordt dit beroepsontwikkelingsproces vaak geduid als het proces of de wens van een beroepsgroep om steeds meer macht te krijgen (Van der Krogt). Beroepsontwikkeling krijgt hierdoor een nare bijsmaak.

Beroepsvorming als iets positiefs

De publicatie van het boek De markt van welzijn en geluk van Hans Achterhuis in 1979 deed er nog een schepje bovenop: mensen zouden door professionals zelfs steeds afhankelijker worden gemaakt. Ik wil echter beroepsvorming niet duiden als een proces van machtswellustelingen. Ik zie beroepsvorming veel positiever en meer als een poging van een groep professionals om verbinding te krijgen met elkaar en kennis uit verschillende praktijken te delen, om zo deskundiger en professioneler te worden als beroepsgroep met als doel betere hulpverlening aan cliënten. Ik ben van mening dat alleen zo een beroep kan ontstaan of blijven bestaan.

De jaren na Achterhuis zie ik dat er door landelijke partners en opleidingen sterk de nadruk kwam te liggen op de professionalisering van professionals. Beroepsvorming verdween naar de achtergrond. Men moet systematischer, doelgerichter handelen, methodischer, samenwerkingsgericht, en kostenbewust werken, effectiever, en blijven leren en verbeteren. De kennis ontwikkelt verder. Maar naar mijn mening te ver af van het beroep, te ver af van de professional. De kennis blijft eigenaarloos.

Kippenvel

De context waarin sociaal werkers werken, is sterk in beweging. De legitimering en erkenning van het vak staat onder druk. Vraag een sociaal werker wat hij doet en hij zegt: ik werk in een wijkteam, ik werk met jongeren, ik ben sociaal makelaar, ik ben schuldhulpverlener. Sociaal werkers voelen zich sterk verbonden met hun doelgroep en met hun organisatie, hun directe collega’s en werkgever. Ze proberen als werknemer hun werk zo goed mogelijk te doen. Maar voelen ze zich ook verbonden met hun beroep of vak? De beroepsvereniging heeft weinig leden en weinig mensen zijn lid van een vakbond. Bij landelijke ontmoetingsdagen voor sociaal werk vind ik de opkomst teleurstellend. En de fragmentatie van het beroep gaat maar verder. De ene na de andere ‘beroeps’- of netwerkorganisatie wordt opgericht, al dan niet met een eigen register’. Allemaal met goede bedoelingen, maar ze brengen het beroep niet verder.

'Ik hoop dat de volgende wereldkampioen, een sociaal werker is die met trots vertelt over zijn beroep'

Vele partijen hebben een rol

Er zal naar mijn mening hard gewerkt moeten worden aan verdere beroepsvorming. En daar hebben vele partijen een rol in. De opleiding die toekomstige professionals opleidt tot beroepsbeoefenaren, de werkgevers die professionals ruimte geven hun eigen oplossingen te zoeken, uitdagen reflectief te zijn, en stimuleren om verbindingen te leggen met beroepsgenoten. Maar ook de professionals die aandacht hebben voor hun beroep, open staan voor kritische reflectie, en kennis uit onderzoek benutten. En kennisinstituten en wetenschap die kennis ophalen en vertalen naar de beroepspraktijk en die zich meer gaan richten op het ontwikkelen van professionele standaarden.

Zondag keek ik naar het WK atletiek. De winnaar van de marathon hardlopen was een Belg, Koen Naert. Het interview na de wedstrijd ging in op zijn vroegere carrière. Hij vertelde vol trots dat hij verpleegkundige was. Dat hij naast professioneel atleet momenteel nog volop aan het verder leren is om beter te worden in zijn vak en dat hij naderhand dolgraag weer als verpleegkundige aan de slag wil. Ik kreeg ik er kippenvel van. Ik hoop dat de volgende wereldkampioen, een sociaal werker is die met trots vertelt over zijn beroep.  

Wat een vak

Movisie werkt met Vlaamse en Nederlandse partners aan een studieboek over de professionalisering van het sociaal werk. Hiervoor worden onder andere de inzichten gebruikt die zijn opgedaan uit de bundel ‘Wat een vak’. Deze bundel bestaat uit 35 bijdragen van mensen waar Harry Hens, oud-manager van Movisie, in zijn levenslange werk aan professionalisering van het sociaal werk mee te maken kreeg. Ze leefden zich uit in een essay, opinie of column. Dit essay is zo’n bijdrage.

www.sociaalwerkversterkt.nl