Is categorale hulpverlening beter voor slachtoffers van loverboys?

artikel - 25 juli 2013
Afbeelding bij Is categorale hulpverlening beter voor slachtoffers van loverboys?

Onlangs heeft Fier Fryslân het boek 'Wie zijn de meiden van Asja' uitgegeven, waardoor een breed publiek een inkijk krijgt in het leven van slachtoffers van loverboys. Fier Fryslân heeft onderzoek gedaan naar de eigen populatie van Asja, en geeft openheid over hun aanpak. Wat zijn opvallende kenmerken van die aanpak? En kunnen die kenmerken enkel in de categorale instellingen plaatsvinden?

Asja is specialistische opvang voor meiden van 12-23 jaar die slachtoffer zijn geworden van een loverboy/mensenhandelaar. De meiden van Asja hebben vreselijke dingen meegemaakt: kindermishandeling, misbruik, pesten, schoolverzuim en loverboy problematiek. Het boek is een geëngageerde vermenging van dossieronderzoek, agendasetting en opiniesturing. Fier profileert niet alleen zichzelf maar ook de problemen waar hun cliënten mee worstelen en de onderliggende maatschappelijke patronen die deze problemen mede veroorzaken en in stand houden. De onderzoeksgegevens zijn weliswaar niet te generaliseren naar een landelijk beeld van de groep slachtoffers van loverboys, maar op basis van deze dossieranalyse is het interessant om te lezen hoe Fier de aanpak en groepscultuur van Asja neerzet. Een klassiek voorbeeld van politiserende hulpverlening.

Structuur en professionele liefde

Het boek laat een paar sterke kanten zien van de organisatie en cultuur van de hulpverlening. Deze kenmerkt zich door twee pijlers: structuur en professionele liefde. De meiden volgen een strak programma met onderwijs, werk en sport. Verveling is dodelijk en Fier biedt de meiden een veilige en duidelijke leefomgeving. Naast de structuur weet Asja de kern van de hulpverlening te raken: het draait vooral om de interactie tussen hulpverlener en jongere. Als hulpverlener bekommer je je om de meiden en blijf je ze steunen. Zij erkennen dat het gebrek aan goede relaties met volwassenen risicovol is voor de meiden van Asja.

Evidence based practice

De professional fungeert onvermijdelijk als vervangende ouder. Vanuit dit gegeven zet Fier een heldere norm neer: benader de meiden alsof het je eigen kind is. Asja zoekt het spanningsveld tussen gedrag van de meiden en het winnen van het vertrouwen. Het is verleidelijk om repressief te reageren op oppositioneel gedrag. Toch moet het gedrag van de meiden worden gestabiliseerd door goed contact met de begeleiders en niet alleen door huisregels en controle.

Maatwerk

Voor iedere organisatie die werkt met ontspoorde jongeren zal deze dynamiek herkenbaar zijn. Maatwerk is nodig, ook in de regels. Dat is immers wat ouders ook doen. Doe je dat niet dan loop je de kans dat jongeren opnieuw in verzet gaan. Dit verzet kan vervolgens weer gezien wordt als bevestiging van de psychopathologie die aan de plaatsing ten grond slag ligt. Is dit kennis die voorbehouden is aan categorale instellingen? Nee, dit gaat om evidence based practice waar eigenlijk alle jeugdzorginstellingen aan moeten voldoen. Weten wat werkt en dat monitoren moet een structureel onderdeel zijn van alle vormen van jeugdzorg.

Systeembenadering

De rol van de ouders is een ander essentieel element uit het boek. Vanuit de systeemgerichte aanpak van Fier spelen ouders een belangrijke rol en wordt gepoogd het contact te herstellen. Ouders zijn nog steeds de beste beschermingsfactor voor jongeren. Waar mogelijk zijn jongeren gebaat te werken aan contactherstel tussen ouder en kind. Dit is een algemeen herkend fenomeen in de jeugdzorg die nog niet overal effectief wordt toegepast. Wanneer we dit fenomeen serieus nemen, zouden wij zoveel mogelijk uithuisplaatsingen moeten voorkomen en de hulp zo vroeg en dicht mogelijk bij het gezin organiseren. De duurzaamheid van de aanpak wordt medebepaald door het feit of de hulpverlening wel het gezin in zijn totaliteit ziet en betrekt bij het opstellen van doelen, plan van aanpak en behandeling.

Praten over seks

De meiden van Asja hoeven zich niet te verschuilen, iedereen bij Asja heeft negatieve seksuele ervaringen. Er is geen plek voor schaamte maar voor onderlinge solidariteit.  Commissie Deetman en Samson laten ons zien dat het bespreekbaar maken van seksualiteit nog steeds een taboeonderwerp is waar veel handelingsverlegenheid op is. Het feit dat de meiden van Asja allemaal openlijk kunnen spreken over hun ervaringen met seksueel grensoverschrijdend gedrag zou deze handelingsverlegenheid verkleinen bij professionals.  Het praten over seks en seksueel grensoverschrijdend is immers ingebed in de cultuur en behandelplannen van Asja. Op deze wijze worden hulpverleners gedwongen de handelingsverlegenheid te doorbreken. Daarnaast kunnen lotgenoten effectief het gedrag van de ander spiegelen.

Lotgenotengroepen

Het werken met lotgenotengroepen zorgt voor (h)erkenning die geen enkele professional kan geven. De meeste zijn immers niet ervaren in de loverboy problematiek. Deze erkenning versterkt tevens de eigenkracht en zelfregie van deze groep. Je staat er namelijk niet alleen in, je bent niet de enige. Er kan een informele structuur van zelfhulp ontstaan die nodig kan zijn voor het herstel en de duurzaamheid van de geboden hulp  zoals zichtbaar is in de krachtbundel van Stichting Zijweg (2011).

Risicofactoren

Bij loverboy slachtoffers (Verwey Jonker, 2012) zie je dat de onderliggende problematiek kan verschillen in zwaarte van de ouderproblematiek. Hiermee willen we aangeven dat loverboy problematiek een symptoom kan zijn van traumatische ervaringen in de jeugd en niet op zichzelf staat. Kindermishandeling is volgens Fier de belangrijkste risicofactor voor slachtofferschap van mensenhandel. De misbruikervaringen in het verleden van de meiden van Asja worden uitgelegd  als trigger voor problemen in het leven van deze meiden. Kindermishandeling is inderdaad een zeer belangrijke factor, maar leidt niet altijd tot loverboy problematiek. Dat is bij deze meiden wel het geval en daarmee zouden we kunnen pleiten voor specifieke opvang en behandeling.

Vroegsignalering

Bij zwerfjongeren kennen wij gelijke risicofactoren zoals: jeugdzorgverleden, kindermishandeling en schooluitval. Moeten we dit ook als een aparte groep beschouwen voor we effectief kunnen behandelen? Misschien wel. Dit brengt ons echter wel terug bij de cultuuromslag naar zo vroeg mogelijk signaleren van aanwezige risicofactoren om erger te voorkomen. Als we niet inzetten op deze vroegsignalering en systeemgerichte behandeling (een gezin een plan) kunnen we straks te maken krijgen met een massaal aantal categorale instellingen voor verschillende problematieken. Er worden jaarlijks immers 108.000 kinderen slachtoffer van kindermishandeling en volgens de registratie van Comensha zijn er ongeveer 200 slachtoffers van loverboys op jaarbasis. Weliswaar het topje van de ijsberg maar dan nog.

Oud principe, nieuw jasje

Volgens Driessens en Geldof (Individu en/of structuur, 2009) is de hulpverlening van de 21ste eeuw sterker gericht op individuele cliëntrelaties vanuit een meer individualistische kijk op de oorzaken van problemen. Dit in tegenstelling tot het leggen van verbanden tussen individuele problemen en hun maatschappelijke en situationele achtergronden. Het zijn deze verbanden die ook zichtbaar moeten worden om niet in de hulpverlening te blijven dweilen met de kraan open. Asja voldoet aan de kenmerken van politiserende hulpverlening met haar holistische en maatschappelijke kijk op de problemen van haar cliënten, de emanciperende aanpak en kleinschaligheid (De Tuck, 1978). Een oud principe in een nieuw jasje als het ware.

De balans bewaken

In het huidige tijdperk waarin gedecentraliseerd wordt om de zorg zowel effectiever als goedkoper te maken zou het politiseren van de hulpverlening een belangrijk instrument kunnen zijn. Menig instelling en sector, denk aan de JGGZ, zou hier een voorbeeld aan kunnen nemen. Hoe noodzakelijk dit politiseren ook is in de cultuuromslag heeft het ook een gevaarlijke kant. Het gevaar bestaat dat slachtoffers dusdanig worden ingezet in de publiciteitsacties van instellingen dat het enkel de organisatie dient en niet meer de empowerment van de cliënt. Het inzetten van de klant als middel om te komen tot agendasetting moet elke keer weer een discussie waard zijn. Centrale vraag hierin is: wie heeft er meer baat bij de cliënt of de organisatie? Deze balans moet door de instelling afgewogen en bewaakt worden.

Duurzaam?

Zijn kenmerken als systeemgericht werken, lotgenotencontact en maatwerk voorbehouden aan de categorale instellingen? Natuurlijk niet!. Dat een specialistische aanpak nodig is mag duidelijk zijn. In de praktijk zien wij dat deze specialistische aanpak eveneens te vinden is in de generieke instellingen met verschillende doelgroepen in huis. Wat eigenlijk nog niet weten is of deze specialistische benadering daadwerkelijk herhaald slachtofferschap voorkomt en daarmee duurzaam is. Dat blijft tot nu toe een onbeantwoorde vraag ongeacht of het in een categorale of generieke instelling plaatsvindt.

Met medewerking van MOVIERA en Kompaan de Bocht.

Reacties

Nogmaals geen twijfel mogelijk dat voor deze doelgroep een specialistische aanpak nodig is. Deze specialistische aanpakken worden dan ook gegeven zowel in generieke instellingen als in categorale. Een vergelijking maken tussen de aanpakken is niet mogelijk en ook niet nodig. Enige verscheidenheid in aanpakken heeft namelijk ook een functie, slachtoffers zijn immers ook geen eenheidsworst. Wat wel noodzakelijk is voor zowel de generieke als categorale instellingen is om hun aanpakken op effect te laten onderzoeken. Slachtoffers hebben baat bij maatwerk en een effectieve aanpak. Hoe betrokken en deskundig instellingen mogen zijn, het bewijs van effectiviteit is nog nergens geleverd. Dáár pleiten wij in dit artikel voor.

Movisie betoogt in hun reactie op de publicatie ‘Wie zijn de meiden van Asja? De gang naar de jeugdprostitutie’ dat vele kenmerken van de hulpverlening die door Asja geboden worden, ook in generieke instellingen gehanteerd kunnen worden. Vele kenmerken zouden niet alleen gehanteerd kunnen worden, maar moéten worden. Het bieden van maatwerk, handelen alsof het je eigen kind is, sterk inzetten op het systeem van de jongeren, enzovoorts. Vrijwel iedere hulpverlener zal deze kenmerken ‘herkennen’ als kenmerken van goede hulpverlening. Hier blijven we echter op het terrein van de basiszorg. Heikel punt is nu hoe het specialisme ingevuld gaat worden. Dit betekent dat er op de basiszorg specifiek aanbod gerealiseerd moet worden. Dit onderzoek geeft handreikingen hoe die specialistische zorg eruit kan zien. De categorale zorg (voor meiden met een seksueel trauma) moet binnen die context bezien worden.

De doelgroepen die bij Fier en bij Asja worden opgevangen hebben deze onderscheidende zorg hard nodig. Onderscheidende zorg die in meidengroepen geboden kan worden, gelet op het voorkomen van revictimisatie en het doorbreken van de taboesfeer rondom seksualiteit. Daar is overigens veel meer over te zeggen. Fier stelt niet dat dit de enige weg naar Rome is! Er zijn meer wegen die naar Rome kunnen leiden, de uitdaging moet er in gelegen zijn te expliciteren hoe dit aanbod vorm en inhoud krijgt in meidengroepen en gemengde groepen.

We hebben het onderzoek van de commissie Samson niet per se nodig om te weten dat kinderen ook binnen instituties onvoldoende beschermd worden tegen seksueel geweld. Daar hebben instellingen nog het nodige in te doen. Dat moet de uitdaging zijn en worden, mede in het licht van hoge risico´s op revictimisatie van seksueel misbruikte kinderen en jongeren. En hoewel er dus overal gewerkt moet worden aan een pedagogisch basisklimaat dat veilig is voor kinderen, zijn er specifieke doelgroepen waar zorgprogramma´s daarin een accent dienen te leggen. Door de negatieve seksuele ervaringen die meisjes (en uiteraard ook jongens) gedurende hun leven hebben meegemaakt, weten ze vaak niet hoe een gezonde seksuele relatie eruit zou horen te zien. Ze zijn gewend dat mensen misbruik maken van hun lichaam en zijn niet of onvoldoende weerbaar wanneer zich ‘verleidingen’ of grensoverschrijdingen voordoen en/of wanneer mensen zich opdringen. Met dit gegeven moet gewerkt worden, dit moet expliciet onderdeel zijn van het behandelaanbod.

Om besef te krijgen van een gezonde seksuele relatie moet de taboesfeer rondom seksualiteit doorbroken worden op een wel heel gerichte en zorgvuldige wijze. Zowel meiden alsook medewerkers moeten durven praten over seksualiteit en seksuele ervaringen. Een setting met alleen meiden ondersteunt dit. Meiden die soortgelijke ervaringen hebben, meiden waarbij ze niet ‘de slet’ of ‘de hoer’ zijn, maar waarmee ze hun negatieve ervaringen kunnen delen. En waarbij seksualiteit geen ‘grappig’ onderwerp van gesprek is, maar een serieus onderwerp van gesprek.

Meisjes en jongens die seksueel getraumatiseerd zijn moeten weer besef krijgen van de betekenis en invulling van gezonde seksualiteit en moeten weerbaar worden, vóórdat zij bloot worden gesteld aan intensief (en onbegeleid) contact met elkaar. Dit vraagt contemplatie, grote en gerichte inspanning! De snelle generieke recepten bieden hier geen uitkomst.

Reageer op dit artikel

4 + 11 =
Los deze eenvoudige rekenoefening op en voer het resultaat in. Bijvoorbeeld: voor 1+3, voer 4 in.