Corrie Tijsseling: ‘Dat je als doof iemand alleen reisde met een kind!’

11 juli 2019

Dr. Corrie Tijsseling is opgeleid als historisch en theoretisch pedagoog, werkte ruim tien jaar aan de Universiteit Utrecht en combineert nu twee onderzoeksbanen. Een bij Geestelijke Gezondheidzorg en Maatschappelijke Dienstverlening voor Doven en Slechthorenden (GGMD) en een bij Kentalis, een organisatie die onderwijs en zorg biedt aan mensen met een auditieve en/of communicatieve beperking. Radboud Engbersen interviewde haar over gemeentelijke offline- en online-dienstverlening aan mensen met een beperking.

Nog een (online) wereld te winnen

Drie jaar geleden, op 14 juli 2016 trad het VN-verdrag handicap in Nederland in werking. Dit interview is geschreven in het kader van een nieuw rapport Toegankelijke overheidsdienstverlening: nog een wereld te winnen van Radboud Engbersen Bard Briels, over het verbeteren van de gemeentelijke offline- en online-dienstverlening aan mensen met een beperking. Movisie schreef dit rapport in opdracht van de gemeente Amsterdam en in samenwerking met ervaringsdeskundigen  Andrea Naphegyi (Inclusionlab) en Suzanne van den Bercken (Bureau Nenufar). Voor het rapport interviewde Movisie verschillende experts. Hun input is verwerkt in het rapport, maar een aantal interviews brengen we afzonderlijk onder de aandacht omdat ze op een treffende persoonlijke manier de worsteling met het verbeteren van toegankelijkheid voor mensen met een beperking duidelijk maken. Er is al veel winst geboekt, maar er is nog heel veel werk te verzetten. Na de zomer verschijnt een publieksuitgave van het rapport en in de loop hiernaartoe publiceren we de komende maanden alvast een paar opvallende interviews.

Fouten door onbekendheid

Het interview met Corrie Tijsseling vindt plaats bij Movisie. Zij heeft zoals ze had aangekondigd zelf een gebarentolk meegenomen. Tijdens het gesprek corrigeert ze me als ik deze ook iets wil vragen. Ze legt uit dat een tolk niet inhoudelijk bij het gesprek betrokken kan en mag zijn, dat is een aspect van hun beroepscode, en wijst me erop dat het juiste woord ‘Tolk Nederlandse Gebarentaal’ (NGT) is en niet ‘doventolk’, het woord dat ik in eerste instantie gebruikte. De fouten die ik maak zijn illustratief voor de onbekendheid die er bij velen is ten aanzien van de groep doven en slechthorenden. Ik leer ervan. In de maanden na het interview ben ik me meer bewust van hun aanwezigheid op televisie, bijvoorbeeld als journaals van buitenlandse media in beeld komen – daar zijn vaker dan in Nederland gebarentolken op te zien - en natuurlijk in de laatste editie van ‘Heel Holland Bakt’.

De drie T’s van toegang

Tijsseling wil als eerste in het gesprek beklemtonen dat de groep doven en slechthorenden heel divers is. Het maakt een groot verschil of iemand doof geboren of doof geworden is. Er is een groep voor wie de Nederlandse Gebarentaal (NGT) de eerste taal is en een groep die gesproken taal (deels) beheerst. Zelf is ze waarschijnlijk slechthorend geboren, in een doof gezin en daarom naar eigen zeggen 'volledig tweetalig'. Tijsseling beheerst zowel NGT als gesproken taal. Als ze praat, kan ik haar uitstekend verstaan. Ze vertelt wel dat haar verstaanbaarheid minder wordt, als ze moe wordt. Als historisch pedagoge weet ze alles over de emancipatie van de dovengemeenschap in Nederland. Ze vertelt hoe in de loop der tijd het onderwijs voor de groep is verbeterd, in eerste instantie vanuit de volkshogescholen,  vervolgens de erkenning van gebarentalen als volledige talen, en hoe al in de jaren zeventig van de vorige eeuw de dovengemeenschap inzette op toegankelijkheid. Toen was het woord ‘toegang’, samengevat in de drie T’s: Teletekst op televisie, de Teksttelefoon én Tolken. In die jaren konden doven en slechthorenden door het typen van tekst met elkaar communiceren over het vaste telefoonnet, én er kwam een beroepsgroep van gebarentolken met een professionele opleiding, een beroepsvereniging én een beroepscode.

‘Ze kennen me inmiddels bij de NS’

De opkomst van technische hulpmiddelen is, benadrukt ze, van grote betekenis geweest voor de onafhankelijkheid van doven en slechthorenden. Ze prijst de smartphone. ‘Iedereen die doof is, zegt: hoe hebben we het ooit zonder kunnen doen? Je kunt alles opzoeken, je hoeft het niet meer te vragen, je hoeft niet meer moeizaam te communiceren, je kunt whatsappen. Geweldig.’ Het valt haar op dat dove mensen handig zijn met internet, juist óok ouderen. Niet alleen innovatieve technologie heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de emancipatie van doven, dat geldt ook voor de veranderde houding ten opzichte van deze groep. Toen ze ruim dertig jaar geleden met haar dochter in een draagzak in de trein zat en zich tot de conducteur richtte, omdat er onduidelijkheid was over het juiste aankomst- of vertrekspoor, werd ze in lichte paniek naar een hokje afgevoerd (‘Dat je als doof iemand alleen reisde met een kind! Ik ben een hele tijd bezig geweest om van die conducteur af te komen.’).

Corrie Tijsseling staat in de stationshal

Tegenwoordig, vertelt ze, hebben ze allemaal bij de spoorwegen een introductie gehad in hun opleiding hoe om te gaan met mensen met beperkingen. En het Nederlands Gebarencentrum heeft in samenwerking met de NS ook een app gemaakt met gebaren die te maken hebben met de trein. Op de televisie, zegt Tijsseling, zie je ook vaker gebarentolken, zowel horende tolken NGT als dove tolken NGT (native signers). Televisieprogramma’s worden ondertiteld (veel meer mensen dan 1,5 miljoen doven en slechthorenden in Nederland maken daar trouwens gebruik van) en in de ochtend om 7.00, 8.00 en 9.00 uur wordt het NOS journaal met gebarentolk uitgezonden (‘Mensen staan vroeg op om daar naar te kijken.’). Ze wijst wel op de gebrekkige kwaliteit van de ondertiteling bij live programma’s, daar valt nog veel in te verbeteren. Dat geldt ook voor de informatievoorziening van de spoorwegen. Nu staat er vaak op de borden: let op het omroepbericht. ‘Dat is zoiets als for whites only, zo van jij hoeft deze informatie niet te hebben. Dan ga ik heel druk twitteren, ze kennen me inmiddels bij de NS.’

Vaak slecht op de hoogte van regelingen

Hoewel er veel winst geboekt is bij het verbeteren van de maatschappelijke participatie en arbeidsparticipatie van mensen met een auditieve beperking, valt hier nog veel werk te verzetten. Ze wijst erop dat mensen met een auditieve beperking vaak op relatief jonge leeftijd arbeidsongeschikt worden of het arbeidsproces verlaten. Het vraagt grote inspanningen van hen om een plek op je niveau op de arbeidsmarkt te bemachtigen, maar het vraagt ook heel veel energie om het decennia vol te houden. Op een gegeven moment eisen alle inspanningen hun tol en stappen mensen (vrijwillig, onvrijwillig) door de langdurige overbelasting uit het arbeidsproces.

Ze betoogt dat een toegankelijke gemeente hoge maatschappelijke kosten kan terugdringen. Vanuit haar werk bij GGMD weet ze dat mensen met beperkingen – bijvoorbeeld een verstandelijke beperking of andere problematiek – vaak slecht op de hoogte zijn van regelingen waar ze recht op hebben, bijvoorbeeld van uitkeringen. Het gevolg is dat ze in financiële problemen komen en vervolgens in een neerwaarts spiraal. ‘Ze kloppen dan bij de GGMD aan of een andere organisatie, krijgen een maatschappelijk werker of een woonbegeleider toegewezen die gaat helpen. Allemaal extra kosten. Ik denk: veel kan je voorkomen. Ook woonoverlast bij buren. Als informatie duidelijker en toegankelijker is, voorkom je een heleboel problematiek en daarmee ook een heleboel kosten.’

Amsterdamse taxi- en tramchauffeurs

Tot slot geeft ze aan dat bij offline-contacten het houdingselement ongelofelijk belangrijk is: de manier waarop mensen met een auditieve beperking bejegend worden. Is de houding vriendelijk, dan durven mensen gemakkelijker zaken te vragen. Mensen met een auditieve beperking hebben vaak een zekere schroom om te praten, omdat ze onzeker zijn of ze wel goed worden verstaan, omdat hun manier van praten anders is. Of ze zijn onzeker of zij een antwoord wel goed hebben begrepen. Bij onvriendelijke, ongeduldige personen zijn ze geneigd hun mond te houden. ‘Dat heb ik zelf ook, terwijl ik goed spreek, maar als ik het al moeilijk vind dan geldt dat zeker ook voor veel anderen.’ En ze voegt eraan toe: ‘Amsterdam zou voor mensen met een auditieve beperking al veel toegankelijker zijn als taxi- en tramchauffeurs wat minder chagrijnig zouden zijn!’ Ook ambtenaren zouden daar getraind in kunnen worden. Nu praten ze te vaak nog richting hun scherm of kijken ze op hun papieren bij het voeren van een gesprek. Ze legt uit dat geduld, de persoon in kwestie aankijken en rust belangrijk zijn bij offline-communicatie. Ten aanzien van online-communicatie geeft ze aan dat filmpjes in NGT kunnen helpen.

Tekst: Radboud Engbersen
Foto: MacSiers