Jongvolwassenen en de participatiewet: welke oplossingen zijn mogelijk?

15 februari 2019

Een te strikte interpretatie van bepaalde maatregelen uit de participatiewet, zoals de vier weken zoektermijn en de scholingsplicht, kan kwetsbare jongeren (16-27) in grote problemen brengen. Van de mogelijkheid tot maatwerk die de participatiewet biedt, wordt in de gemeentelijke praktijk lang niet altijd gebruik gemaakt.

Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) en Movisie organiseerden een bijeenkomst waar mensen uit de uitvoeringspraktijk bij elkaar kwamen. Aan de hand van een aantal casussen bespraken zij welke gevolgen jongeren kunnen ondervinden van een te strikte interpretatie en vooral ook welke oplossingen er mogelijk zijn om schrijnende gevallen te voorkomen.

Casus 1

Een dak- en thuisloze jongere zwerft sinds haar vertrek uit de jeugdinstelling. Ze is bezig te overleven en weet vaak niet waar zij de volgende nacht moet doorbrengen. Ze slaapt in een auto, logeert bij kennissen of gaat met vreemde mannen mee. Ze staat niet in contact met hulpverleners en heeft veel schulden gemaakt (zorgverzekering, telefoonabonnement en (politie)boetes). Wanneer zij zich bij de gemeentelijke balie meldt, is het aanbod dat ze krijgt afhankelijk van wie ze te spreken krijgt. Sommige klantmanagers passen de regels strikt toe en willen dat ze eerst vier weken zelfstandig actief op zoek gaat naar werk of scholing (de vier weken zoektermijn). Anderen vinden dat in het geval van dak- en thuislozen de stabiele basis ontbreekt om werk of scholing te vinden en het opleggen van een zoekperiode dus niet zinvol is. Zij proberen haar in contact te brengen met hulpverleners.

Casus 2

Een oudere jongere vraagt na de scheiding van haar man bijstand aan voor haar en haar zoontje. Haar klantmanager besluit echter dat zij op korte termijn een fulltime opleiding moet gaan volgen, waarbij zij geen recht heeft op bijstand, maar wel recht heeft op de veel lagere studiefinanciering. De zogenaamde scholingsplicht. Daarbij wordt geen rekening gehouden met haar hoge vaste lasten (huur etc.).  Of het feit dat zij geen netwerk heeft om haar zoontje tijdens schooltijd op te vangen. Tegen haar eigen wens in voelt ze zich genoodzaakt om haar zoontje bij de vader onder te brengen. Deze beslissing heeft financiële consequenties. Haar recht op kinderbijslag en het kindgebonden budget vervallen en ze moet bovendien al uitgekeerde bedragen terugbetalen. Snel oplopende schulden zijn het resultaat, waarbij zij uiteindelijk van een paar euro per week moet zien rond te komen. Het is niet verwonderlijk dat het onder deze omstandigheden extra moeilijk voor haar is om de opleiding vol te houden.

De probleemanalyse

De deelnemers aan de bijeenkomst bespraken de bovenstaande en nog twee andere casussen. Zij kwamen tot een aantal conclusies die voor alle vier de casussen gelden:

  1. Het verstrekken van uitkeringen is nog steeds te veel gebaseerd op wantrouwen. Meer dan 90% van de aanvragers van een uitkering is ter goeder trouw. De kleine groep die dat niet is bepaald echter de beeldvorming en als gevolg daarvan ook hoe er met klanten wordt omgegaan. Onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen constateren dat niet aan meer handhaving maar aan slimme handhaving behoefte is.
  2. Er is sprake van willekeur. De interpretatie van de regels binnen de Participatiewet verschilt te veel per klantmanager. Sommige zoeken wel de in de wet geboden ruimte voor maatwerk, maar andere houden zich aan een strikte beperkte interpretatie.
  3. Zodra er sprake is van pilots wordt de ruimte voor maatwerk makkelijker gevonden. Maar na afloop van pilots worden de geleerde lessen nog te weinig in het reguliere werkproces meegenomen en geborgd.
  4. De zoektermijn is gebaseerd op een onjuiste vooronderstelling. De meeste jongeren die zich nu melden zijn niet direct beschikbaar voor of bemiddelbaar naar werk.
  5. Bij het toepassen van de scholingsplicht wordt nog te weinig rekening gehouden met psychische of financiële omstandigheden bij de jongeren die het volgen van een opleiding belemmeren.
  6. De overheid gaat te veel uit van zelfredzame autonome hoogopgeleide burgers die de meest optimale besluiten nemen op basis van alle beschikbare informatie en zelf dus aansprakelijk zijn voor de (financiële) consequenties van de genomen besluiten. Dit is echter een fictie. Zoals de WRR in haar rapport Weten is nog geen doen, al aantoonde. Omstandigheden en regelgeving zijn vaak zo complex, dat veel burgers niet alle consequenties van beslissingen kunnen overzien.
  7. Dit laatste punt geldt ook voor klantmanagers. Vanuit de complexiteit zijn zij ook niet altijd in staat om alle consequenties van hun besluit voor de betreffende jongere te overzien.
  8. Men realiseert zich onvoldoende dat kwetsbare jongeren vaak over een inadequaat sociaal netwerk beschikken (ouders, vrienden) dat weinig opvang en ondersteuning kan bieden.
  9. Vooral jongeren met een lang verleden in de jeugdzorg zijn hulpverlenersmoe en weinig gemotiveerd om hulp te zoeken, zelfs wanneer dat dringend nodig is.

Aanbevelingen

De deelnemers kwamen tot de volgende aanbevelingen:

  1. Voor het omgaan met de complexiteit van de hulpvraag, werden verschillende vormen van kennisuitwisseling voorgesteld, bijvoorbeeld:
    • Casusoverleg, intern tussen klantmanagers of in de keten, tussen verschillende betrokken hulpverleners. In veel gemeenten gebeurt dit nog steeds niet.
    • Eén regisseur die vanuit verschillende invalshoeken/disciplines voor een bredere blik kan zorgen.

    Durf als klantmanager vooral ook te erkennen dat je niet alles weet en neem de ruimte om een interne of externe deskundige te raadplegen.

  2. Om maatwerk te realiseren, moet ook aan allerlei randvoorwaarden worden voldaan. Maatwerk kost meer tijd dan standaardoplossingen. Klantmanagers moeten dus de tijd krijgen om die te kunnen bieden. Ook samenwerking met andere partijen in de keten kost tijd.
  3. Probeer waar mogelijk in te zetten op preventie.
  4. De omstandigheden van jongeren veranderen. Een eenmaal genomen besluit (bijvoorbeeld over de scholingsplicht) kan door veranderende omstandigheden minder goed uitpakken. Het is dus goed om de vinger aan de pols te houden en eventueel het besluit daarop aan te passen.
  5. Om het gat tussen leefwereld en systeemwereld te overbruggen, zouden ervaringsdeskundigen een grotere rol moeten spelen. Idealiter zouden ervaringsdeskundigen in zoveel mogelijk gemeentelijke afdelingen actief moeten zijn en voor hun inzet betaald moeten worden. Zorg als gemeente ook voor voldoende budget hiervoor.
  6. Versterken van het netwerk van de jongeren, bijvoorbeeld door het inzetten van buurtcoaches.

Zie voor meer achtergrondinformatie over scholingsplicht, vier weken zoek termijn en de gevolgen voor jongeren, ook het artikel: Jongvolwassenen en de participatiewet: het kan schuren.

Deze bijeenkomst over 16-27 is onderdeel van een serie bijeenkomsten.

Op 14 maart heeft een bijeenkomst plaatsgevonden over de kostendelersnorm en toeslagen.
 
Op 9 april vindt een bijeenkomst plaats over praktijkleren. Voor die bijeenkomst kun jij je nog aanmelden:   Meer informatie en aanmelden