Kun je zelfredzaamheid meten?

Outcome indicatoren dragen bij aan collectieve kracht
artikel - 7 augustus 2015

Bij veel gemeenten staan zelfredzaamheid, eigen kracht en zelfregie hoog op de agenda. In Haarlem, Apeldoorn en Woerden ontwikkelden de gemeenten samen met aanbieders en cliënten/burgers outcome indicatoren op dit terrein.

In de jaren waarin de Nederlandse verzorgingsstaat moet transformeren naar een ‘participatiesamenleving’ is het een sleutelbegrip geworden: zelfredzaamheid. Vooral voor gemeenten, die per 2015 nieuwe verantwoordelijkheden hebben gekregen op het gebied van werk, jeugdhulp en zorg. Terwijl ze tegelijkertijd bezuinigingen moeten doorvoeren.

Met schaarsere middelen werken aan zelfredzaamheid

‘Het is begrijpelijk dat je als gemeente wilt vaststellen of de inzet van je schaarser wordende middelen bijdraagt aan de zelfredzaamheid van burgers,’ zegt Martijn Bool, procesbegeleider van Movisie. ‘Gemeenten willen in ieder geval ook weten of burgers in staat zijn zichzelf te redden. Als burgers niet zelfredzaam zijn, kunnen ze in een isolement raken, eenzaam worden, ongezond gaan leven enzoverder. Dat wil je te allen tijde voorkomen.’

Eigen kracht, zelfredzaamheid en zelfregie

In de zes gemeenten die samen met aanbieders en cliënten/burgers outcome indicatoren ontwikkelden was zelfredzaamheid – en daarmee verwante thema’s – dan ook een veel gekozen onderwerp. Haarlem koos voor indicatoren die iets zeggen over het ‘versterken van eigen kracht’ . Apeldoorn wil ‘het effect van ontmoeting en dagbesteding op zelfredzaamheid’ van kwetsbare mensen kunnen meten. En Woerden heeft als doel dat ‘inwoners met ondersteuningsbehoefte regie hebben over hun eigen leven’. De termen worden vaak door elkaar heen gebruikt.

Eigen kracht, zelfredzaamheid en zelfregie
'Bij zelfregie is iemand in staat om zijn leven zelf te organiseren,’ zegt Bool. ‘Dat betekent niet dat hij alles zelf kan, dus zelfredzaam is. Eigen kracht lijkt sterk op zelfredzaamheid, maar is minder duidelijk afgebakend.’

Overeenstemming over de begrippen

Een juiste definitie vinden van zelfredzaamheid, eigen kracht en zelfregie is meer dan een nuance. De outcome indicatoren komen tot ontwikkeling tijdens drie intensieve sessies, waarbij vertegenwoordigers van de gemeente om tafel zitten met medewerkers van de aanbieders en burgers of cliënten. De gemeente heeft van tevoren het onderwerp van de indicatoren bepaald. Tijdens de eerste bijeenkomst verkennen de deelnemers dat zo open mogelijk. Wat betekent zelfredzaamheid of zelfregie eigenlijk voor de verschillende partijen? Stel dat burgers in staat zijn om zichzelf maximaal te redden, of hun leven optimaal te regisseren, hoe ziet dat er dan uit?

Bezuiniging of vergroten van eigenwaarde

De begrippen blijken nog wel eens verschillend ingevuld te worden. ‘Voor een deel van de inwoners was eigen kracht een loos begrip, ontdekten we,’ zegt Lizzy van der Kooij, projectleider Sociaal Wijkteam van de gemeente Haarlem. ‘Het betekende in hun ogen vooral: bezuinigingen, en dus moeten we het allemaal zelf gaan doen. Terwijl wij overtuigd zijn van de meerwaarde van eigen kracht: als burgers zelf met oplossingen bezig zijn, hun eigen mogelijkheden benutten, dan wordt hun eigenwaarde vergroot. Het is belangrijk om die fundamentele discussie over de betekenis van begrippen te voeren.’

Martijn Bool: ‘Accentverschillen kunnen blijven bestaan, maar in de kern moet je overeenstemming bereiken over de inhoud van de begrippen, over de inhoud van het doel, voordat je verder kunt.’

Subdoelen

In de tweede sessie vertalen de deelnemers het algemene doel naar zogenaamde subdoelen, een noodzakelijke tussenstap naar indicatoren. Het algemene doel van de gemeente Apeldoorn  – ontmoeting en dagbesteding dragen bij aan de zelfredzaamheid en participatie van de (kwetsbare) inwoners – kreeg een vertaling naar onder meer de gezamenlijk geformuleerde subdoelen 'buurtbewoners kennen de plekken voor ontmoeting en dagbesteding' en 'dagbesteding vergroot de vaardigheden' als subdoel.

Die subdoelen leiden vervolgens tot concrete, meetbare indicatoren. Zoals: ‘Bewoners kunnen minimaal één plek noemen voor ontmoeting en dagbesteding’.

Martijn Bool: ‘Dit is een hele simpele en duidelijke indicator, die iets zegt over de bekendheid van bewoners met ontmoetingsplekken. Tegelijkertijd zie je direct de beperking van één zo’n indicator: hij zegt pas iets over participatie als je daarnaast ook vraagt wat mensen daar halen en brengen. En als je de ontwikkeling wilt zien, moet je twee metingen doen, op verschillende tijdstippen.’

Ontwikkeling indicatoren ter plaatse

Een voor de hand liggende vraag: als gemeenten dezelfde of vergelijkbare doelen hebben, is de zoektocht naar geschikte outcome indicatoren dan in elke afzonderlijke gemeente nodig? Kan de ene gemeente de in een andere gemeente geformuleerde indicatoren niet gewoon kopiëren?

Geen enkele gemeente is een kopie van een andere gemeente, antwoordt procesbegeleider Karin Sok van Movisie. 'Zelfredzaamheid in een welvarende gemeente betekent iets anders dan in een gemeente die minder welvarend is. Bovendien zit een groot deel van de waarde in het proces: je zit met drie partijen om tafel om over fundamentele zaken te praten. Dat levert veel meer op dan alleen de formulering van outcome indicatoren.’

'De sessies zijn een uitwisseling van ideeën en opvattingen. Daar leer je veel van'.

Want in de dagelijkse praktijk is er weinig ruimte om van gedachten te wisselen over het soort wezenlijke onderwerpen dat tijdens de ‘indicatoren-bijeenkomsten’ aan de orde kwam, zegt Lucy Kroes van de gemeente Woerden. Zeker niet met aanbieders, burgers en gemeente tegelijkertijd. ‘De sessies zijn een uitwisseling van ideeën en opvattingen. Daar leer je veel van. Eerlijk gezegd dacht ik zelf dat aanbieders vooral over cliënten héén denken. Dat was mijn vooroordeel. Daar ben ik van teruggekomen. Medewerkers van de aanbieders bleken juist bijzonder veel oog te hebben voor de wensen van hun cliënten.'

Lizzy van der Kooij, gemeente Haarlem: 'Het is van groot belang om met elkaar van gedachten te wisselen over belangrijke onderwerpen zoals eigen kracht. Vooral de bewoners geven er een andere dimensie aan. Het doorlopen van de sessies met verschillende groepen is echt verrijkend.'

Zelfs als het alleen om die indicatoren zou draaien, zegt Karin Sok, dan nog kun je die niet zomaar overnemen van een andere gemeente. ‘Je hebt dan geen groep van aanbieders en burgers om je heen verzameld die samen met jou tot die indicatoren zijn gekomen. Geen draagvlak dus. Dat draagvlak heb je nodig om de indicatoren te kunnen implementeren.’

Bruikbaar, maar nog niet helemaal af

De meeste gemeenten zijn behalve over het proces ook te spreken over de uitkomst, al bestaan de ontwikkelde outcome indicatoren nog slechts in grove vorm. Hoe kan het ook anders, na drie bijeenkomsten van drie uur, zegt Karin Sok van Movisie. Normaliter vergt de ontwikkeling van goede outcome indicatoren vaak enige maanden werk. ‘Er zou eigenlijk nog een vierde bijeenkomst moeten zijn, ten minste, om de formuleringen bij te schaven en te praten over de manier waarop de indicatoren kunnen worden ingezet.’

'Ook mensen met een handicap moeten zelf de regie hebben over hun leven. Dat is een belangrijk uitgangspunt in ons beleid'.

Niettemin overweegt de gemeente in Woerden een aantal van de geformuleerde indicatoren op te nemen in het klantervaringsonderzoek dat jaarlijks wordt gehouden onder inwoners die gebruik maken van een maatwerkvoorziening. ‘Dat moeten we nog bepalen,’ zegt Lucy Kroes. ‘Ook mensen met een handicap moeten zelf de regie hebben over hun leven. Dat is een belangrijk uitgangspunt in ons beleid. Je kunt bijvoorbeeld wel vaststellen in hoeverre mensen gebruik maken van een persoonsgebonden budget. Maar dat zegt nog niet alles over zelfregie. Die is alleen goed te meten door interviews met burgers. Daarbij zijn de ontwikkelde indicatoren erg bruikbaar.’

In Apeldoorn werken ze aan een nieuwe subsidieregeling waarin de tot stand gebrachte outcome indicatoren mogelijk een rol gaan spelen. ‘In de toekomstige beschikking willen we aangeven op welke punten aanbieders verantwoording dienen af te leggen,’ zegt Linda Stomphorst. ‘Daarbij kunnen de indicatoren van pas komen. We willen de resultaten nog uitwerken.’

Een nieuwe aanpak voor gemeenten
U wilt resultaten boeken als het gaat om het versterken van eigen kracht, participatie en collectieve kracht. Maar hoe weet u of het gewenste doel van het Wmo-beleid is bereikt? In de brochure Concrete outcome, gedragen indicatoren (pdf) leest u over een nieuwe, effectieve aanpak om deze resultaten te meten.

Mate van zelfredzaamheid

Lizzy van der Kooij van de gemeente Haarlem ziet een meerwaarde in de outcome indicatoren boven de zelfredzaamheidsmatrix, waarvan de Sociaal Wijkteams van Haarlem al gebruik maken. De matrix is een tabel die hulpverleners met een cliënt kunnen doorlopen om de mate van zelfredzaamheid vast te stellen op verschillende domeinen, zoals inkomen, huisvesting, dagbesteding, fysieke gezondheid of maatschappelijke participatie. In de matrix staat in algemene woorden beschreven wanneer iemand op een domein acute problemen heeft, wanneer hij niet zelfredzaam is, beperkt zelfredzaam, voldoende zelfredzaam dan wel volledig zelfredzaam.

De matrix wordt ingevuld aan het begin van een traject. Door dat later nog eens te doen, kun je de ontwikkeling van een cliënt vaststellen. ‘Daarmee is ook het effect van een traject in te schatten,’ zegt Van der Kooij. ‘Toch, als je het ontwikkelen van indicatoren goed wilt doen, dan zou de ervaring van de bewoner, of cliënt, een grotere rol moeten krijgen. Ik denk dat outcome indicatoren daarom erg waardevol kunnen zijn.’ Helaas slaagde Haarlem er niet in om vanaf de eerste bijeenkomst voldoende burgers/cliënten te laten deelnemen. ‘Hun inbreng is over het geheel te beschouwd te weinig geweest. Terwijl daarin wat mij betreft de meerwaarde zit. Daarom zijn we nog aan het dubben wat we met de uitkomsten gaan doen.’

Relevante informatie uit andere onderzoeken

Gemeenten moeten zich realiseren dat er vaak al veel onderzoeken lopen, zegt Karin Sok van Movisie. Bevolkingsonderzoeken van de GG&GD, tevredenheidsonderzoeken of exit-vragenlijsten van welzijnsorganisaties. ‘Daar is vaak al relevante informatie uit te halen. Het vergt ook maar een kleine ingreep om iets toe te voegen. Om indicatoren bruikbaar te maken hoeven niet altijd hele nieuwe enquêtes te worden opgetuigd.’
 

Regiobijeenkomsten outcome
Movisie organiseert in oktober met de MOgroep, LCGW en In voor Zorg in drie regio’s een bijeenkomst over outcome: ‘Meten of gemeten worden’. De regiobijeenkomsten zijn bedoeld voor directeuren, managers en stafmedewerkers van organisaties voor sociaal werk. En voor wethouders, managers en beleidsmedewerkers van gemeenten. Meer informatie over workshops en aanmelden vindt u in het agenda-item.  

Dit artikel werd geschreven in samenwerking met journalist Marcel van Engelen.

Reacties

Het gevaar van het werken met indicatoren is dat mensen met hulpvragen eindigen als een casus die in een matrix moeten worden geduwd. Hierdoor krijg je gemakkelijk schrijnende gevallen zoals de reactie van mevrouw van Manen hierboven. Het is niet voor niets dat uit het artikel al blijkt dat het moeilijk was om individuele cliënten mee te laten participeren in het opstellen van indicatoren. Dit gaat veel mensen volledig boven de pet. De gemiddelde zorgvrager hoopt dat zijn of haar uren niet gekort worden en dat zijn indicatie overeind blijft. Wat dat betreft is het echt ieder voor zich en God voor ons allen. Als je er alleen voor staat en je belandt in de hulpverlening ben je echt niet te benijden in het huidige zorgklimaat.

De GGD'en gebruiken reeds enkele indicatoren voor het bepalen van de mate van zelfredzaamheid van inwoners van een wijk of gemeente. Allereerst door lichamelijke beperkingen te meten (zg. OESO-indicator die mobiliteit, zien en horen meet), en door beperkingen in huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen en zelfstandig gebruik van vervoer te meten. Vervolgens is er een indicator die regie over eigen leven meet (ook wel mastery), maar ook een meetinstrument voor het bepalen van zelfmanagementvaardigheden (SMAS-S). deze laatste is in Limburg gebruikt. Wellicht ook interessant om te weten.

Mooie voorbeelden om indicatoren met reeds bestaande instrumenten te meten! Er hoeft dus niet van alles opnieuw te worden uitgevonden en ingezet; gemeenten en aanbieders kunnen al veel halen uit bestaande metingen.

De PGB-uren voor huishoudelijk werk zijn tijden geleden bijgesteld en ik ging er 45 minuten op achteruit.
Inmiddels zijn mijn gezondheid, mijn mobiliteit en mijn zelfredzaamheid achteruit gegaan en kan ik bepaalde dingen niet meer..
Ik heb de Gemeente gevraagd om een nieuwe indicatie, derhalve meer minuten of uren toegewezen te krijgen.
Misschien verbaas ik u met het antwoord : "Uw huis bestaat uit zoveel vierkante meter, dus daarin is niets veranderd. Daarom krijgt u geen nieuwe indicatie, want het werk dat gedaan moet worden is hetzelfde".
Ook toen ik zei dat ik eerder bepaalde dingen nog zelf kon en nu niet meer, kreeg ik nul op mijn request.
Naar mijn mening zou dit niet moeten kunnen!

Ik kan me voorstellen dat dit voor u een vervelende ervaring is. Als u zich met een vraag om maatschappelijke ondersteuning meldt bij de gemeente, heeft de gemeente de plicht een zorgvuldig onderzoek uit te voeren naar de omstandigheden van de persoon. Dit geldt ook voor vragen voor hulp bij het huishouden. De vraag is of dat bij u is gebeurd, maar dat kunnen wij niet beoordelen. Per Saldo kan u misschien helpen. Ook kunt u een klacht of bezwaar indienen bij uw gemeente als u niet tevreden bent over het besluit of over hoe u bent bejegend. Ik wens u veel succes.

Reageer op dit artikel

4 + 5 =
Los deze eenvoudige rekenoefening op en voer het resultaat in. Bijvoorbeeld: voor 1+3, voer 4 in.