Nabuurschap organiseren vraagt samenspel

Wijkmanagers als verbinders voor een zorgzame buurt
artikel - 3 december 2013
Afbeelding bij Nabuurschap organiseren vraagt samenspel

Hoe krijgt modern nabuurschap vorm? Welke initiatieven nemen bewoners op het terrein van onderlinge zorg? En hoe kun je daar vanuit de overheid – specifiek als wijkmanager – ondersteuning aan geven? Op het LPB congres 2013 op 7 en 8 november verzorgde Kitty van den Hoek, onderzoeker Zorg & Buurt bij Movisie een sessie hierover met als titel ‘De Zorgzame Buurt’. Een verslag.

Enkele dagen voorafgaand aan het congres vroeg ik de deelnemers aan mijn sessie per mail naar ervaringen met nabuurschap in hun werkgebied. Hoe zou het er idealiter uitzien en wat zou daarin hun rol als wijkmanager kunnen zijn? Ik kreeg een aantal spontane reacties terug. Een stadsdeelmanager schreef me dat het ‘noaberschop’ (Twentse schrijfwijze) in de oudere wijken en in de dorpen ‘sterker leeft’ dan in nieuwbouwwijken. Een wijkregisseur werkzaam in de Achterhoek mailde me dat alledaagse zorg en aandacht zeker nog aanwezig zijn onder buurtbewoners, maar dat er tegelijkertijd eenzaamheid en verdriet verstopt zitten achter het ‘geruststellend decorum’ van (in dit geval) bloemkoolwijken.

De realiteit van nabuurschap

Tijdens de workshop zelf kwam in aansluiting op mijn schets vanuit de onderzoeksliteratuur eveneens een gemengd beeld naar voren. Nabuurschap draait in de eerste plaats om goed relatiebeheer: het bewaken van privacy, harmonie en wederkerigheid, onderlinge zorg kan daar deel van uitmaken. Maar dat is zeker niet vanzelfsprekend. Over het algemeen is het helpen van buren een 1-op-1 aan-gelegenheid en die hulp komt pas tot stand als er echt om gevraagd wordt. Mensen willen wel graag hulp bieden, maar weten niet goed of die hulp gewenst is. In de literatuur wordt gesproken over handelingsverlegenheid. Ook de zogenaamde vraagverlegenheid van mensen die hulp nodig hebben, belemmert de totstandkoming van burenhulp (zie bijvoorbeeld het werk van Lilian Linders, 2010).

Belofte en bedreigingen van bottom-up zorginitiatieven

Daarom zijn zogenaamde 'legitimerende contexten' van groot belang. Een lokaal zorginitiatief, zoals een buurthulpdienst of een zorgruilsysteem, kan zo’n context vormen. Een helper weet dan zeker dat zijn of haar hulp welkom is en een hulpbehoevende weet zeker dat de helper daadwerkelijk wíl helpen. Die contexten zijn nodig, want net als de professionele zorg ondergaat ook de informele zorg drastische veranderingen. Kort samengevat wordt familiezorg minder vanzelfsprekend en zullen vrienden, buren en zorgvrijwilligers een grotere rol (moeten?) krijgen. Vanuit onderzoek zijn er aanwijzingen dat daartoe mogelijkheden bestaan. Maar er is ook de context van vermaatschappelijking van zwaardere (psychiatrische, geriatrische) zorg, met ‘onaantrekkelijke’ buren tot gevolg (‘Zei je nou… ‘Onaantrekkelijke buren?!’, was daarop de reactie van een deelnemende wijkmanager).

Voorbeelden van zorginitiatieven

Tijdens de sessie zoomden we nader in op twee voorbeelden van zorginitiatieven: BUUV (Haarlem) en de Duitse Seniorengenossenschaften. De deelnemende wijkmanagers noemden zelf ook interessante voorbeelden van georganiseerd nabuurschap én van de risico’s waar dergelijke zorginitiatieven mee te maken hebben: verdringing door sociale wijkteams en ‘de casuïstiekindustrie’, vermarkting en monetarisering van informele zorg en onpersoonlijke opschaling en institutionalisering.

Samenspel is de crux

Ook keken we naar de verschillen tussen typen zorginitiatieven: van relatief eenvoudige buurthulpdiensten tot de meer ingewikkelde zorgruilsystemen en zorgcoöperaties. Hoewel de laatste twee veel media-aandacht trekken in een tijd waarin de ruileconomie ‘hot’ is, lijken ze in omvang bescheiden te blijven. Mogelijk is er een soort glazen plafond waardoor bijvoorbeeld de Seniorengenossenschaften (Duitsland, start: 1991) en de LETS-kringen (start in Nederland: 1993) niet verder groeien. Voor een bepaalde groep mensen zijn zorgruilsystemen een ideale voorziening. Maar niet iedereen is in staat en bereid op basis van ‘harde’ wederkerigheid zijn of haar eigen zorg te organiseren. Bovendien, zo constateerden ook de deelnemende wijkmanagers, gaat het uiteindelijk vooral om een goed samen-spel van professionele en informele zorgverleners en de persoon die hulp behoeft. Niemand kan immers uitsluitend steunen op een zorgruilsysteem of een buurthulpdienst.

Rol van de wijkmanager

Welke rol kunnen wijkmanagers spelen ten bate van ‘de zorgzame buurt’? (De accenten in) het takenpakket en de operationele schaal verschillen behoorlijk per wijkmanager, maar één ding hebben zij steeds gemeen: wijkmanagers verbinden mensen en organisaties, met als grondhouding een sterk geloof in de kennis en kunde van bewoners zelf. En juist dat verbinden is nu zo belangrijk. Meestal is een gebrek aan initiatief of aanbod niet zozeer aan de orde, maar ontbreekt er juist samenhang en massa. Hierdoor wordt een dienst of voorziening onvoldoende gevonden door de mensen die de hulp het hardst nodig hebben.

Een alternatief voor formele zorg

Een wijkmanager moet vanuit de gemeentelijke organisatie dan wel de ruimte krijgen om zich voor die zorgzame buurt in te zetten. Met de decentralisaties als context, wordt al snel de vraag gesteld of zorginitiatieven van bewoners ook een alternatief kunnen vormen voor formele zorg, in het bijzonder voor doelgroepen met zwaardere zorgvragen. Uiteraard zijn bewonersverbanden daar niet persé op gericht – die hebben hun eigen lokale belangen en ambities. Een goed samenspel van overheid en burgers en meer kennis van wat buurtgenoten beweegt tot onderlinge zorg, kan deze zorginitiatieven helpen zich verder – misschien wel vergaand - te ontwikkelen.

Verder lezen?

De powerpoint van deze workshop kun je downloaden vanaf mijn LinkedIn pagina. Praktijkvoorbeelden en methodische kennis rond buurthulpdiensten vind je op www.movisie.nl/buurthulp.

Onderzoeksliteratuur over nabuurschap en onderlinge zorg:

  • Blokland, T. (2003) Urban Bonds. Social Relationships in an Inner City Neighbourhood. Cambridge: Polity Press
  • Jager-Vreugdenhil, M. (2012) Nederland participatieland? De ambitie van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de praktijk in buurten, mantelzorgrelaties en kerken. Amster-dam: Vossiuspers UvA – Amsterdam University Press
  • Linders, L. (2010) De betekenis van nabijheid. Een onderzoek naar informele zorg in een volksbuurt. Den Haag: Sdu uitgevers
  • Vermeij, L. (2008) Goede schuttingen maken goede buren, in: Schnabel, P., R. Bijl en J. de Hart (2008) Betrekkelijke betrokkenheid. Studies in sociale cohesie, Sociaal en Cultureel Rapport 2008. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, pp. 113-136

Reacties

Heel mooi allemaal, maar een noodzakelijke voorwaarde is wel dat in huurcomplexen de verhuurder de uitdrukkelijke en aantoonbare verantwoordelijkheid pro-actief op zich neemt om de naleving van de relevante huurvoorwaarden en wettelijke bepalingen inzake nabuurschap en erfgrenzen te garanderen. Vooral waar signalen van overlast en/of intimidatie bestaan, mag dit niet overgelaten worden aan de slachtoffers daarvan. Uitbesteding is altijd al een dubieus instrument, weten we uit andere sectoren (bijv. automatisering), maar is zeker hier niet op zijn plaats.

Reageer op dit artikel

15 + 2 =
Los deze eenvoudige rekenoefening op en voer het resultaat in. Bijvoorbeeld: voor 1+3, voer 4 in.