Notitie: De kloof dichten tussen wetenschap en praktijk

3 januari 2019

Er wordt in de praktijk te weinig gebruikgemaakt van bewezen effectieve interventies, zoals die zijn verzameld in verschillende databanken. Trudie Knijn en Anja Machielse stellen daarom voor het model van wetenschappelijk bewezen effectiviteit te herzien: laat bewijs niet alleen theoretisch goed onderbouwd zijn, kijk ook goed naar de werkzaamheid in de praktijk.

Uitgaven in de sociale sector moeten steeds nadrukkelijker worden verantwoord naar overheden en financiers. Ook instellingen zelf zien het belang van effect- en evaluatieonderzoek om de kwaliteit van de hulpverlening te verbeteren (Scholte & Sprinkhuizen, 2012). Hoewel evidence-based werken in de sociale sector steeds meer erkenning vindt, is het percentage interventies in zorg en welzijn waarvan de effectiviteit ‘evidence-based’ is bewezen (dat wil zeggen: door middel van empirisch en theoretisch gefundeerd onderzoek) in Nederland nog steeds erg laag (Lub, De Groot & Schaafsma, 2011, Omlo, 2011). Ook de feitelijke toepassing van evidence-based interventies door beroepsbeoefenaren is gering (Van der Zwet, Booijnk & Kok, 2015).

Relatie tussen wetenschap en praktijk

Er is dus een kloof tussen de wetenschappelijke erkenning van de effectiviteit van interventies enerzijds en de praktische bruikbaarheid en toepasbaarheid van die interventies in de professionele praktijk anderzijds. Met deze notitie proberen we deze kloof te dichten. We pleiten daarbij voor een interactief model van kennisverzameling waarin de relatie tussen wetenschap en praktijk centraal staat.

Samen doen wat werkt
Op 21 januari organiseert Movisie in Alphen aan den Rijn onder de noemer ‘Samen sturen op doen wat werkt’ een conferentie voor maatschappelijke organisaties en gemeenten over het onderbouwd aanpakken van sociale problemen. Het congres biedt een ruime keuze uit inspirerende deelsessies rond praktijken in grote en kleinere gemeenten. Plenair zijn er  bijdragen van: burgemeester Liesbeth Spies en wethouder Han de Jager van de gemeente Alphen aan den Rijn, Jantine Kriens, algemeen directeur van de VNG,  Lex Staal, voorzitter van Sociaal Werk Nederland, en Janny Bakker, voorzitter van de Raad van Bestuur van Movisie. Lees meer en meld je aan!

Kwaliteitsverbetering

De gezamenlijke kennisinstituten in Nederland streven naar kwaliteitsverbetering in de betrokken werkvelden door een eenduidig beoordelingssysteem voor interventies. Ze hebben erkenningscommissies aangesteld om de effectiviteit van het toenemende aantal sociale interventies te beoordelen. Deze commissies hanteren alle dezelfde werkwijze en criteria voor wetenschappelijke onderbouwing van interventies. Ze classificeren de effectiviteit van interventies op basis van de mate van robuustheid/rigiditeit van theoretische fundering en de bewijskracht van de gehanteerde methoden van onderzoek. Er worden verschillende niveaus van bewijskracht onderscheiden, oplopend van beschrijvend (laagste niveau) via plausibel en functioneel (middenniveau) naar evidence-based (hoogste niveau) (Veerman & Van Yperen, 2007). Sterke bewijskracht (evidence-based) vereist in dit model onderzoek met een experimentele opzet waarbij subjecten aselect zijn toegewezen aan een onderzoeksgroep, of een andere opzet die de causale relatie tussen interventie en effect voldoende overtuigend aantoont. Kwalitatief onderzoek is in dit model slechts mogelijk tot en met het niveau ‘functioneel’.

Effectiviteit van interventies vaststellen

Hoewel de erkenningscommissies ook criteria hebben opgesteld voor programma’s die nog niet bewezen effectief, maar wel ‘goed onderbouwd’ zijn, is het streven om de ‘effectiviteit’ van interventies vast te stellen.  Vooralsnog gaan de erkenningscommissies uit van drie niveaus van effectiviteit, namelijk:

  1. effectiviteit volgens eerste aanwijzingen (op basis van observaties en casestudies)
  2. effectiviteit volgens goede aanwijzingen (op basis van quasi-experimentele designs of time-series onderzoeken)
  3. effectiviteit volgens sterke aanwijzingen (aangetoond met twee Nederlandse onderzoeken met sterke bewijskracht (gerandomiseerd onderzoek met een controlegroep en zes maanden follow-up) of één Nederlands onderzoek met sterke bewijskracht in combinatie met dergelijk onderzoek uit het buitenland).

In de toelichting van de criteria wordt gesproken over gecontroleerd onderzoek zoals Randomized Controlled Trials (RCT’s) en quasi-experimentele studies met een follow-up, maar ook over bijvoorbeeld meerdere N=1 studies en timeseries (Erkenning van interventies, 2015). 

Een opwaardering van kwalitatieve onderzoeksmethoden is onontbeerlijk

Twee problemen

In deze notitie richten we ons op twee gesignaleerde problemen:

  1. het geringe aantal interventies dat aan de gestelde criteria voldoet.
  2. de beperkte bruikbaarheid en toepasbaarheid van interventies die wetenschappelijk effectief zijn bevonden in de professionele praktijk.

Onze stelling is dat het hiërarchisch model van bewezen effectiviteit waarin de toepasbaarheid van de beschreven interventie niet wordt meegenomen, negatieve effecten heeft voor het gebruik van interventies in de praktijk. In het verlengde daarvan pleiten we voor evidentie waarin theoretische en empirische rigiditeit mede is gebaseerd op toepasbaarheid in de praktijk. Om dat te bereiken is een opwaardering van kwalitatieve onderzoeksmethoden onontbeerlijk. We sluiten daarmee aan bij de notitie ‘Erkenning van Interventies. Criteria voor gezamenlijke kwaliteitsbeoordeling 2015-2018’ van de gezamenlijke kennisinstituten (2015). In deze notitie stellen de kenniscentra dat kwalitatief onderzoek verder geïntegreerd dient te worden in het erkenningstraject omdat het een bijdrage kan leveren aan de onderbouwing van ‘de aannemelijkheid van de werkzaamheid en inzicht kan geven in de werking en de daadwerkelijke uitvoering, en in het effect van de werkzaamheid zoals ervaren door doelgroep en uitvoerders’ (Erkenning van interventies, 2015: 13). De kenniscentra hebben echter nog geen strikte criteria geformuleerd voor de kwaliteit en (bewijs)kracht van kwalitatief (evaluatie)onderzoek.

Bovenstaande is een inleiding van de notitie De kloof dichten van hoogleraren Trudie Knijn en Anja Machielse. Een artikel over deze notitie verscheen in de najaarseditie van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken. Download het artikel uit TSV of de volledige notitie in pdf. Trudie Knijn is hoogleraar Algemene Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Anja Machielse is bijzonder hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek.