'Overheidsbeleid vergt te veel van ons doenvermogen'

Eerste Participatielezing door Mark Bovens
artikel - 30 januari 2018

De overheid moet er in haar beleid meer rekening mee houden dat de redzaamheid van burgers grenzen kent. Projectleider van het WRR-onderzoek 'Weten is nog geen Doen' Mark Bovens pleitte op 26 januari tijdens de eerste Participatielezing in Utrecht voor een realistisch perspectief.

Bovens: ‘In ons onderzoek 'Weten is nog geen Doen' hebben we gekeken naar wat de burger nodig heeft om redzaam te zijn. Daarbij hebben we ons, met behulp van de meest recente inzichten uit de psychologie en gedragseconomie, gericht op de mentale vermogens die een burger nodig heeft om zich in de moderne samenleving staande te houden. Gedragsonderzoek focust meestal op de cognitieve vermogens van mensen. Daarbij wordt gekeken hoe intelligent iemand is, of hij (of zij) de kunst van lezen en schrijven beheerst, en in hoeverre hij informatie begrijpt, verwerkt en toepast. Dat hebben we denkvermogen genoemd.’

Nederlanders scoren gemiddeld op doenvermogen

‘Ons onderzoek gaat echter over de niet-cognitieve vermogens van mensen. Ofwel, de capaciteit van burgers om te snappen wat de bedoeling is én of ze dat begrip daadwerkelijk in gedrag om weten te zetten. Dus in hoeverre iemand een plan kan maken en met tegenslagen en verleidingen weet om te gaan. Daarvoor hebben we de term doenvermogen bedacht. Het is één ding dat je weet dat je moet bewegen, maar een ander ding is dat je het ook echt gaat en blijft doen.

Participatielezing

Movisie organiseerde de Participatielezing in samenwerking met het departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht en het Platform voor Sociale Vraagstukken. Lees ook een interview met Mark Bovens, eerder gepubliceerd in Zorg +Welzijn, en download het WRR Rapport 'Weten is nog geen Doen'.  

 

Het doenvermogen van mensen kent drie determinanten of persoonseigenschappen: zelfbeheersing, temperament en overtuiging. In het kort: wie zichzelf voldoende in de hand heeft, weet zijn behoeftebevrediging uit te stellen, afhankelijk van zijn temperament is een mens geneigd om dingen meteen aan te pakken of terug te deinzen. Ten slotte hebben positief denkende mensen vaak een 'can do' mentaliteit. Zij redden zichzelf beter dan mensen die pessimistisch denken 'het wordt toch nooit wat'.   

'Positief denkende mensen hebben vaak een 'can do' mentaliteit'

Met een toets - ontwikkeld door de Utrechtse hoogleraar psychologie, Denise de Ridder - hebben we gekeken naar hoe doenvermogen is verdeeld onder de Nederlandse bevolking. Wat blijkt? Het overgrote merendeel van de Nederlanders scoort een zeventje. Met andere woorden, velen van ons zijn niet altijd in staat hun voornemens in acties om te zetten.

Verschillen tussen laag- en hoogopgeleiden

Opvallend is dat er nauwelijks verschillen zijn tussen mannen en vrouwen en tussen leeftijdsgroepen. Die verschillen zijn er wel tussen laag- en hoogopgeleiden. Waarbij zij aangetekend dat laagopgeleiden niet systematisch lager scoren en de hoogopgeleiden niet systematisch hoger. Ongeveer 16 procent van de laagopgeleiden heeft zijn leven goed op orde, bijna een kwart van de hoogopgeleiden juist niet. Een tekort aan doenvermogen is met andere woorden geen specifiek probleem van een kleine groep laagbegaafden of kwetsbaren.

Hoewel doenvermogen in hoge mate een kwestie van aanleg en intelligentie is, kun je mensen wel specifieke vaardigheden bijbrengen. Maar we hebben weinig programma’s gezien die aantoonbaar een structureel en langdurig effect hebben. En al helemaal niet in meerdere levensdomeinen.’

Geen rationalistisch, maar realistisch perspectief

‘Ons advies aan regering en overheid is dat zij bij het maken en uitvoeren van beleid uit moeten gaan van een realistisch perspectief op de burger. Zij moeten zich realiseren dat weten niet altijd leidt tot verstandig gedrag en dat het doenvermogen van de burger begrensd is en afneemt door stress. Het verlies van een partner of van een baan en het krijgen van kinderen kunnen evenals langdurige armoede en schaarste leiden tot een systematische terugval in doenvermogen.

'Het doenvermogen van de burgers is begrensd en neemt af door stress'

Zwart-wit gesteld, is de standaardaanpak van de overheid rationalistisch en gebaseerd op de gedachte dat ze burgers kan sturen door informatie te verstrekken en financieel te prikkelen, via boetes en beloningen. Ook vindt ze dat de burger de wet moet kennen. Daarom investeert de overheid in openbaarheid, voorlichting en transparantie.

Doenvermogentest

Wij zeggen in ons rapport dat de overheid ook moet nadenken over de omgeving waarin mensen hun keuzes maken en over de keuzearchitectuur. En dat zij moet beseffen dat burgers de wet niet alleen moeten kennen, maar ook moeten 'kunnen'. De regels moeten doenlijk zijn. Wij adviseren de overheid om bij het maken van beleid, landelijk of lokaal, een doenvermogentest te doen. Om standaard te kijken of het beleid doenlijk is, hoeveel acties burgers moeten verrichten en hoeveel stress dat met zich meebrengt. Kortom, hoezeer beleid burgers mentaal belast.

'Burgers moeten de wet niet alleen kennen, maar ook 'kunnen''

Een voorbeeld van hoe het niet moet, is de manier waarop de overheid de alleenstaande ouder met kinderen ondersteunt. De ouder kan een beroep doen op een groot aantal toeslagen zodat ze een fatsoenlijk bestaan kan leiden. Probleem is dat die extra’s bovenop het inkomen allemaal uit verschillende regelingen en potjes komen. De ouder moet goed opletten, want als zij teveel krijgt betaald, moet ze het jaar daarop fors terug betalen. En dat gaat vaak niet, want ze krijgt niet voor niks dat extra er bovenop.

In reactie op onze bevindingen zei de directeur-generaal van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat “we onze backoffice feitelijk aan de burger hebben uitbesteed”. Onder het mom van redzaamheid moet de burger de administratie van de overheid doen.’

Hoe het anders kan

‘Van hetzelfde ministerie ligt bij de Raad van Staten thans een wijziging van de Wet op de kinderopvang. Vanuit het perspectief van ons rapport zijn we daar wel blij mee. In de huidige situatie krijgen jonge ouders het volledige voorschot voor de kinderopvang op hun rekening en die moeten zij vervolgens overmaken aan de kinderopvanginstelling. De hoogte van het voorschot is afhankelijk van het actuele gezinsinkomen. Op het moment dat dat inkomen wijzigt, moet het gezin dat meteen doorgeven, want daardoor kan het voorschot veranderen. In 34 procent van de gevallen moeten gezinnen terugbetalen en dat gaat soms om forse bedragen. Geld dat vaak al lang en breed is uitgegeven.

In het nieuwe stelsel gaat het geld direct naar de instellingen en hoeven de ouders bijna geen gegevens meer te verstrekken. Die worden straks geleverd door de instelling en de belastingdienst, de ouders hoeven alleen nog maar te vertellen hoeveel kinderen naar de opvang gaan, wat hun rekeningnummer is, en voor de zelfstandigen onder hen aan welk peiljaar ze de voorkeur geven. Een fantastische regeling voor mensen die in een fase van het leven verkeren waarin ze toch al zo veel aan hun hoofd hebben.

Met het doenvermogen mee bewegen

Bij essentiële zaken moet gelden “wie niet veel doet, zit goed”. De overheid moet beleid zo maken en uitvoeren dat het de burger zo min mogelijk mentaal belast, en hun doenvermogen zo veel mogelijk ontziet. Belangrijk is ook dat kleine fouten kleine gevolgen hebben. Als mensen even een missertje maken, moet dat niet meteen enorme consequenties hebben. De ziektekostenverzekeraar CZ laat zien hoe het ook kan. De verzekeraar zoekt al vroeg contact met mensen als zij een betalingsachterstand hebben en vraagt hen op vriendelijke toon wat er aan de hand is. Het effect van deze persoonlijke benadering is een halvering van het bedrag aan oninbare premies, een betere naleving van betalingsregelingen en 90 procent van de achterstanden wordt ingehaald. En dat komt doordat CZ met de grens van het doenvermogen van burgers mee beweegt. 

'De overheid moet beleid zo maken en uitvoeren dat het de burger zo min mogelijk mentaal belast'

Dat zou de overheid ook moeten doen. Daardoor kan ze anders inhoud geven aan het sociaal contract: niet door burgers over de rand te duwen, maar door met ze mee te bewegen en ze niet tot het onmogelijke te houden. Dat is goed voor de redzaamheid van burgers, goed voor de schatkist en komt de legitimiteit van de overheid en het beleid in het sociale domein ten goede.’

Bevindingen breed omarmd

De reactie van het kabinet op het WRR-rapport, op maandag 22 januari 2018, heeft de onderzoekers blij verrast. Mark Bovens, hoogleraar bestuurs- en organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht en lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR): ‘Het mooie van de kabinetsreactie is dat het laat zien dat onze bevindingen op de departementen breed worden omarmd. Wat ons ook positief stemt, is dat onze suggestie voor een toets op doenvermogen op een aantal plaatsen terugkomt. We hopen dat de overheid ons perspectief overneemt, en dat ze er niet langer van uitgaat dat iedereen altijd de rationele burger is die onder alle omstandigheden een verstandige beslissing neemt.' 

 

Auteur: Jan van Dam