Roze ouderen, zelf aan zet!

Riek Stienstralezing door Judith Schuyf
artikel - 7 november 2014
Roze ouderen, zelf aan zet!

Donderdag 11 november 2014 hield Judith Schuyf in de Openbare Bibliotheek in Amsterdam de Riek Stienstralezing. De overheid wil dat ouderen meedoen in de participatiemaatschappij. Maar wat betekent dit voor Roze Ouderen?

De snelle nadering van de invoering van de nieuwe wetten, al op 1 januari a.s., in combinatie met de onzekerheid die er bij veel betrokkenen heerst over de financiële gevolgen van deze operatie, heeft de vraag laten ontstaan of dit niet het einde betekent van de verzorgingsstaat zoals we die kennen. Paul Schnabel, de voormalige directeur van het SCP meent dat het zo’n vaart niet loopt en rekent uit dat nog steeds zo’n 200 miljard van de 260 miljard van de totale rijksbegroting aan de klassieke taken van de verzorgingsstaat worden uitgegeven – verzekeren, verzorgen – verheffen. Waar het wel om gaat is een andere instelling van burgers (niet afwachten wat zorg en welzijn allemaal in de aanbieding hebben, maar eerst kijken wat men zelf nog kan) en een andere verdeling van taken tussen overheid, burgers en markt. Verschillende auteurs waaronder de nieuwe directeur van het SCP, Kim Putters, en hoogleraar Evelien Tonkens, zetten vraagtekens bij het morele appel dat de overheid op ons doet en het soort burgerzin dat dat veronderstelt. Worden we niet gechanteerd en gedwongen om emoties te voelen en daarnaar te handelen?

Drie decentralisaties
Het kabinet zet bij de decentralisaties in op de participatiemaatschappij: zelfredzaamheid, inzet van vrijwilligers en mantelzorgers. Wat zijn de gevolgen voor roze ouderen en wat zijn kansen voor gemeentelijk beleid? Lees het in de handreiking LHBT-emancipatie: de drie decentralisaties
 

In haar afscheidsrede als hoogleraar Actief burgerschap gaat Tonkens in op vijf misverstanden van de participatiemaatschappij, te beginnen met wat zij noemt het ‘hardnekkige misverstand’ dat de zo plots geparachuteerde participatiesamenleving betekent dat er minder verzorgingsstaat is en dat dit daarom meer burgerschap betekent. Burgers gaan helemaal niet spontaan voor elkaar zorgen. Eigenlijk kunnen burgers namelijk niet goed met elkaar omgaan. Actief burgerschap in de praktijk is vooral een zaak van hoogopgeleide stedelingen en inwoners van kleine dorpen. En onderling gaat men alleen met de eigen soort om. Volgens Tonkens is er daarom eerder sprake van ‘goedgemutste machteloosheid’  en ‘onbeholpen burgerschap’.

Worden we niet gechanteerd en gedwongen om emoties te voelen en daarnaar te handelen?

Ondertussen is wel van belang dat we ons een aantal dingen realiseren: in de nieuwe wetten is vooral sprake van de zeer kwetsbaren, zij die niet zonder hulp kunnen participeren en voor zichzelf kunnen zorgen. Dat zijn mensen met allerlei lichamelijke en geestelijke beperkingen, maar ook de sociaal zeer zwakkeren. Putters spreekt van 6% van de bevolking, die te maken hebben met gebrek aan inkomen, werk en gezondheid. Als we het over ouderen hebben, moeten we ons realiseren dat het in de praktijk zal gaan over hoogbejaarden – tachtig plussers dus. Als er nu al voor deze groep (informeel) gezorgd wordt, gebeurt dat niet door jongeren, maar door jonge actieve 60plussers, meestal vrouwen afkomstig uit verzorgende beroepen. De kans is dus groter dat een jonge senior als mantelzorger optreedt dan dat er voor haar (of hem) gezorgd wordt.

Maar dat laat onverlet dat in de loop van die tijd steeds dezelfde problemen werden gesignaleerd, die kennelijk – ook al was er inmiddels een hele nieuwe generatie toegetreden tot de roze ouderen - hardnekkig bleven bestaan. Eenzaamheid is een hele hardnekkige, maar ook gezondheidsproblematiek – de psychische gezondheid van roze mensen is aangetoond slechter dan die van niet-roze personen. De stress die hun minderheidspositie veroorzaakt is er de oorzaak van dat ze ook meer roken en drinken dan anderen, wat ook weer gezondheidsproblemen veroorzaakt.

De participatiemaatschappij veronderstelt dat iedereen naar vermogen wil en kan meedoen. Maar geldt dat voor roze ouderen? Ook al zullen roze ouderen dat zelf niet zo omschrijven, in de ogen van de hetero-maatschappij wijkt hun leefstijl  af van de manier waarop hetero’s hun leven, liefdes en vriendschappen hebben ingevuld. 

  • Veel oudere LHBT’s wonen alleen en/of hebben geen goede relatie met familie: er is vaak geen mantelzorg.
  • Ze hebben weinig binding met de wijk waar ze wonen. 
  • Ze nemen nauwelijks deel aan wijk- en burgeroverleggen, die om het beleid te legitimeren door de gemeente als steeds belangrijker worden gepositioneerd.
Roze ouderen
Hoe groot is de groep LHBT-ouderen precies? En wat voor specifieke aandacht hebben zij nodig? De handreiking Lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender-ouderen geeft antwoord op de meest gestelde vragen over deze doelgroep.
 
De hetero-maatschappij heeft echt weinig verstand van LHBT. Dat leidt tot voortdurende misverstanden in de relatie met de bestaande zorg structuren (non-acceptatie, in de kast etc.). Nog te vaak is de reactie ‘wij zijn er voor iedereen’, ‘nee, wij maken geen onderscheid’  - maar in de praktijk blijkt vaak dat dit tot onzichtbaarheid leidt. ‘Nee, bij ons komt dat niet voor’. Dat gaat nog voor grote problemen bij de keukentafelgesprekken leiden, schat ik in. De grote uitdaging wordt nu hoe we ten opzichte van het generieke beleid dat de gemeente wil voeren - doelgroepen zijn immers afgeschaft – toch zorg op maat voor roze ouderen kunnen realiseren.
De wijkteams worden per definitie bemenst door generalisten. Toch zullen die teams wel de kennis bijgebracht moeten worden hoe ze zorg op maat ook voor roze ouderen kunnen leveren.

Velen van ons hebben op z’n zachtst gezegd een getroebleerde relatie met familieleden

Een deel van die kennis zit bij de expertise zoals die in de afgelopen jaren b.v. door het consortium Roze 50+ is opgebouwd. Veel verzorgingshuizen (en een groeiend aantal verpleeghuizen en thuiszorgorganisaties) hebben thans een roze loper. Maar het traditionele verzorgingshuis is in een hoog tempo aan het verdwijnen. De gemeente laat zich bij de aanbesteding van de huishoudelijke verzorging helaas eerder door de portemonnee leiden dan door inhoudelijke overwegingen. Toetsing aan de eis dat de thuiszorg bewezen LHBT-vriendelijk moet zijn wordt misschien met de mond beleden, maar wordt in de haast en soms bijna paniek van de invoering van de nieuwe wetten niet uitgevoerd. Met de afschaffing van het PGB bepaalt de gemeente wie er zorg komt verlenen. Mogelijk is er dan helemaal geen ruimte meer voor roze initiatieven in de zorg, tenzij je het zelf betaalt. Het gevolg kan zijn dat op dat moment alle inspanningen en expertise verloren dreigen te gaan.

Eerst iets over de wijk. Lang niet alle roze ouderen hebben een partner. Velen van ons hebben op z’n zachtst gezegd een getroebleerde relatie met familieleden, die niet wíllen weten dat je homo, lesbo of trans bent, of met de buren, die het niet mógen weten. Vrienden wonen niet in de wijk, maar ver weg, in een andere stad. Je zult het dus toch deels van de wijkgenoten moeten hebben. Helaas kan er in buurten sprake zijn van impliciete en expliciete discriminatie van LHBT’s. Ze kunnen bedreigd en gepest worden en ook op subtiele manieren kan hen duidelijk gemaakt worden dat zij er ‘niet bijhoren’. Veel roze ouderen vertellen hun buren niets over hun leven, uit angst of omdat je dat in hun generatie nu eenmaal niet doet. Daardoor voelen ze ook weinig binding met de wijk.

De belangrijkste les van de studie van Blokland vind ik dat het aantoont dat onderlinge steun veelal instrumenteel is en wil het effectief zijn juist het tegenovergestelde nodig heeft van wat je eigenlijk zou verwachten. Er is juist geen intimiteit nodig.

Geen intimiteit dus, juist niet, maar wel – en daar zijn alle onderzoeken het wel over eens – een soort van basisveiligheid, gebaseerd op een hoog ons-kent-ons gehalte. Een gemeenschappelijk gedeelde leefstijl te zijn, gemeenschappelijke normen en waarden, zodat er minder risico is dat er een familiaire grens wordt overschreden, gemeenschappelijke interesses, en vaak meer van deze dingen tegelijkertijd. Ik zie het in mijn eigen wijk – we hebben een aantal normen en waarden wel gemeenschappelijk, we zijn niet arm (dat helpt de sociale cohesie helaas ook), maar ik zie dat de echte frequente onderlinge contacten gaan tussen ouders met kinderen, die elkaar op school en rond de sportclub ontmoeten. In sommige wijken ontstaan nu buurtinitiatieven, maar het zijn vooral de jonge, goed opgeleide gezinnen en middelbare maatschappelijk geslaagde mannen die daar het initiatief toe nemen, en het zijn meestal niet te de ouderen die profiteren.

Ik zie de roze wijk vooral als een netwerksamenleving

Hoe omschrijf je nu eigenlijk die ‘gedeelde leefstijl?” en is die er wel? Peter van Delft sprak in het kader van zijn masterthesis met een achttal roze ouderen over de betekenis van mantelzorg. Zijn verhaal verschijnt begin volgend jaar. Uit enkele interviews blijkt dat al kan men het nog zo goed met hetero’s vinden, er toch iets ‘mist’. Wat dat is, is lastig te omschrijven, terwijl het toch zo vaak gevraagd wordt door goedwillende hulpverleners en personen die solidair zijn met LHBT’s – het moet eigenlijk een tegenwicht bieden op de opmerkingen dat “we er toch voor iedereen zijn”. Ik doe een poging het te omschrijven. Het is een gevoel veilig te zijn, eens een keer niets uit te hoeven leggen, geen onbewuste (of bewuste) afkeurende blikken te krijgen; en vooral: een gedeelde taal, een gedeeld gevoel voor wat humor is. Dat laat onverlet dat er grote verschillen bestaan in de roze community. We zullen die verschillen onder ogen moeten zien en met elkaar bespreken, zodat ze niet meer zoals nu een bron van ruzie en nijd vormen. 

Ook wij zullen zorg en welzijn voor onszelf op een andere manier moeten organiseren –en nadenken hoe we dat moeten doen en waar de prioriteiten liggen.

Als er weinig gemeenschappelijks is tussen de roze oudere en de wijk, zou het dan een idee zijn om naar de roze wijk te streven? Met de roze wijk bedoel ik een wijk waarin LHBT’s en LHBT-vriendelijke andere mensen wonen, die elkaar kennen en waarin onderlinge steun en solidariteit kenmerkende waarden zijn. Er wonen jongeren en ouderen, hetero’s en LHBT’s, mensen met en zonder kinderen. Alleenstaande en samenwonende ouderen hebben meer mogelijkheden om met meerdere mensen verschillende vormen van woongemeenschappen aan te gaan, waarbij de oude familiariteit van het op elkaar letten in de buurt hersteld wordt, zonder de deur bij elkaar plat te lopen. Waarom probeert de gemeente niet om de nu vrijkomende verzorgingshuizen te verbouwen tot aantrekkelijke kleinschalige wooncomplexen voor senioren en jongeren? Alle voorzieningen zijn er al.

Ik zie de roze wijk vooral als een netwerksamenleving. We hebben zelf een belangrijke rol in de vormgeving van onze toekomst. Roze ouderen zijn zelf aan zet.

Informele zorg en zelfredzaamheid
Gemeenten hebben vanuit de Wmo de taak ervoor te zorgen dat kwetsbare ouderen zelfstandig kunnen blijven wonen door ondersteuning van de informele zorg. Hoe kan de gemeente daarvoor aansluiten bij het netwerk en de eigen kracht van LHBT-ouderen? Lees het in Informele zorg en zelfredzaamheid van LHBT-ouderen
 

Judith Schuyf hield deze lezing in opdracht van Anbo, COC en de Empowerment Foundation, daartoe in staat gesteld door een subsidie van Stichting Vrienden van Schorer. Meer lezen? Download de volledige tekst van de lezing (pdf)

Kennisdossier
Trefwoorden

Reacties

Reageer op dit artikel

9 + 7 =
Los deze eenvoudige rekenoefening op en voer het resultaat in. Bijvoorbeeld: voor 1+3, voer 4 in.