Sociale actie nu?! Wat we kunnen leren van Marie Kamphuis

7 oktober 2019

Is het doel van sociaal werk het ondersteunen van individuen bij het oplossen van hun sociale problemen, of gaat het om het aan de kaak stellen van de structurele oorzaken van diezelfde problemen? Deze actuele discussie vertoont opvallende parallellen met een debat in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Toen vertolkte Marie Kamphuis een belangrijke stem in het debat. 'Welke lering kunnen we daar vijftig jaar later uit trekken?' vraagt onderzoeker en publicist Marcel Spierts zich af.

Waaruit bestaan de overeenkomsten en verschillen tussen toen en nu? Om te beginnen scharen werksoorten als het maatschappelijk werk, sociaal-cultureel werk, jongerenwerk en opbouwwerk, zich eind jaren zestig onder de noemer ‘welzijn’, zoals deze zich in het afgelopen decennium hebben verenigd in het ‘sociaal werk’. Tegelijkertijd zien we dat dit proces van integratie toen en nu gepaard gaat met een aanzienlijke verruiming van de doelstellingen. Waar het helpen van mensen in nood die in de samenleving tussen de wal en het schip dreigen te vallen, de traditionele doelstelling van het maatschappelijk werk uitmaakte, verschuift dit in de loop van de jaren zestig naar ‘het bevorderen van de ontplooiing en het welbevinden van alle mensen’ en naar ‘het opheffen van de vervreemding tussen mensen en structuren’. Ook nu zien we dat de vorming van het sociaal werk gepaard gaat met de roep om sociale misstanden en sociale structuren nadrukkelijk op de agenda te zetten. De beweging is de uitdrukking van een principiële kritiek op het maatschappelijke tij en in dat opzicht ook ideologisch geladen. In de jaren zestig richt de kritiek zich op de welvaartsmaatschappij en de louter aanpassende werking van haar voorzieningen.

14 november: Marie Kamphuis Lezing 2019

Movisie organiseert op 14 november samen met de Marie Kamphuis Stichting, de Beroepsvereniging van professionals in sociaal werk (BPSW) en het Platform voor Sociale Vraagstukken ‘De agenda van het sociaal werk’. Centraal staat de dubbele Marie Kamphuis Lezing 2019 van de wetenschappers Rudi Roose en Margo Trappenburg. Daarnaast vindt een debat plaats over wat op de agenda van het sociaal werk moet staan, onder leiding van Evert van Rest. Inmiddels hebben ruim 500 mensen zich aangemeld en is de zaal vol. Je kunt je nog aanmelden voor de wachtlijst.

Vertechnisering van de hulpverlening

Tegenwoordig ligt vooral de neo-liberalisering van de maatschappij onder vuur, die de critici ook in het sociaal beleid menen waar te nemen. Onderdeel van de kritiek is dat sociale problemen gereduceerd worden tot individuele problemen. Dit leidt niet alleen af van sociaal-economische ongelijkheid waardoor mensen in de marge van de samenleving terechtkomen, maar maakt hen ook zelf verantwoordelijk voor hun falen en de kwetsbare positie waarin zij zitten. In de jaren zestig klinkt eenzelfde geluid als men spreekt over ‘een eenzijdige psychologische aanpak van problemen’, gepaard gaand met een ‘vertechnisering’ van de hulpverlening. De ontwikkeling van techniek is belangrijker geworden dan het stilstaan bij de vraag waar deze technieken toe dienen. Een laatste overeenkomst is dat in beide tijdsgewrichten sociale actie en collectieve actie als remedie gelden om een individualiserende en op louter aanpassing gerichte werkwijze te doorbreken.

foto van Marie Kamphuis

Wie was Marie Kamphuis?

Marie Kamphuis (1907-2004) introduceerde na de Tweede Wereldoorlog de methodiek van het social casework in Nederland. Zij was een voorvechter van de professionalisering van het maatschappelijk werk. In 1989 werd als blijk van waardering voor haar verdiensten de Marie Kamphuis Stichting (MKS) opgericht, met als doel een bijzondere leerstoel ‘Grondslagen van het maatschappelijk werk’ te vestigen. Deze leerstoel wordt momenteel bekleed door Margo Trappenburg.

Maar er zijn ook verschillen. Ondanks pleitbezorgers als Marie Kamphuis, was het streven naar de professionalisering van sociaal werk in de jaren zestig en zeventig verdacht. Die kritiek kwam ook van binnen het sociaal werk. Dat is nu minder het geval. Onder de critici van de professionalisering bevonden zich in de jaren zestig en zeventig ook sociaal werkers die ontvankelijk waren voor doorschietende radicalisering. In sommige gevallen zagen zij zelfs vormen van geweld als een gerechtvaardigd middel om misstanden te bestrijden. Zo’n radicale opstelling van sociaal werkers is in de huidige tijd ver weg.

Marie Kamphuis over sociale actie

Marie Kamphuis mengt zich in 1970 in de discussie over de functie van het sociaal werk bij haar rede ter gelegenheid van haar afscheid als directrice van de Academie voor Sociale en Culturele Arbeid (ASCA) te Groningen. De titel van de rede luidt ‘Sociale actie nu?!’ Een titel met een uitroepteken en een vraagteken. Ze erkent dat sociale actie een belangrijke methode vormt voor het sociaal werk, als het erom gaat meer recht te doen aan de invloed van sociale factoren uit de omgeving van de cliënt. Maar Kamphuis plaatst ook kanttekeningen.

foto van Marcel Spierts

Kamphuis voelt zich in de eerste plaats zowel gekrenkt als aangesproken door de kritiek die het bestaande maatschappelijk werk ten deel valt, namelijk dat het te zeer op aanpassing gericht zou zijn. Gekrenkt is ze over het gebrek aan historisch besef bij de critici en de moralistische toon die ze in haar ogen aanslaan. Maar ze kan ook niet helemaal om de kritiek heen. Ze heeft immers net als veel van haar geestverwanten altijd veel oog gehad voor de sociale verhoudingen waarin individuele nood zich manifesteerde. Maar ze weigert om te kiezen tussen ‘cureren’ en ‘conflicteren’. Sociale actie kan een noodzakelijk complement zijn voor het bestrijden van noden die duidelijk met maatschappijstructuren te maken hebben, maar niet alle noden zullen daarmee weggepoetst kunnen worden. Dat geldt in haar ogen voor veel ‘interfamiliaire problemen’, maar ook voor psycho-sociale problemen van lichamelijk of geestelijk gehandicapten en hun gezinnen. Een conflictbenadering gericht op maatschappelijke verandering heeft duidelijk zijn grenzen, ook als instrument om iets te bereiken: 'Het zal moeten zijn conflict én integratie'.

Risico van een boemerangeffect

Marie Kamphuis is in de tweede plaats ook waakzaam als het gaat om de reikwijdte van sociale actie. Ze waarschuwt voor al te grote pretenties en wijst op het risico van een boemerangeffect wanneer sociale actie niet tot z’n recht komt en de resultaten tegenvallen. Ze wijst er ook op dat sociale actie niet aan sociaal werkers is voorbehouden. Sociale actie in de zin van ‘fundamentele democratisering’ is immers een verantwoordelijkheid van iedere burger.

In de derde plaats toont Marie Kamphuis ook in deze discussie de voor haar zo kenmerkende beroepstrots. Wanneer sociaal werkers zich dan al bedienen van sociale actie als methode, dan moet het in ieder geval op een verantwoorde manier. Ze zullen de methode met bekwaamheid moeten leren hanteren. Bijvoorbeeld door goed na te denken over het schaalniveau waarop sociale actie wordt gevoerd. Kortom, ze plaatst sociale actie in het perspectief van de ontwikkeling van het beroep. Ze roept sociaal werkers op om sociale actie te combineren met andere methoden en technieken. Maar dat niet alleen: 'Daarnaast moet er gestudeerd worden, materiaal verzameld, theorieën en technieken ontwikkeld'. Daar horen sterke beroepsorganisaties bij, opdat sociaal werkers zelf niet de individualisten blijven die ze jaren zijn geweest. Tevens houdt ze een pleidooi voor samenwerking met (gedrags)wetenschappers.  

De kleur van sociaal werk

Marcel Spierts schreef samen met Henk Geertsema het toegankelijke boek ‘De kleur van sociaal werk. Doelen, waarden, mensbeeld’, dat dit jaar uitgegeven is door Van Gennep. Het biedt interessante en noodzakelijke basiskennis voor iedereen die binnen het sociaal domein werkt of wil gaan werken.

Bekijk de omslag van het boek

Lering trekken uit de geschiedenis

Marie Kamphuis zou zich in het huidige debat met gemak staande weten te houden. Toch gaat de huidige oproep om tot een agenda van het sociaal werk te komen verder dan Kamphuis in haar tijd voor ogen had. Haar waarschuwing om de pretenties en ambities niet al te hoog op te stuwen op straffe van de marginalisering van het sociaal werk, is achteraf terecht gebleken. Het sociaal werk is immers in de jaren tachtig zwaar afgerekend op de radicalisering in de periode ervoor. Maar het omgekeerde, de neiging van Kamphuis om de sociale politiek ongemoeid te laten, is evenmin een optie. Dat leidt evenzeer tot marginalisering van het sociaal werk, tot versterking van de aanpassingsdwang en tot het oplopen van de frustratie.

Werk maken van een agenda van het sociaal werk is dus op z’n plaats. Maar met de ervaringen uit de tijd van Kamphuis kunnen we een aantal valkuilen vermijden. Zo zal het een agenda moeten zijn die andere partijen niet alleen uitdaagt, maar ook de samenwerking zoekt en coalities smeedt. En de agenda moet aansluiten bij de sociale vraagstukken zoals sociaal werkers die in de onmiddellijke, directe interactie met burgers, groepen en gemeenschappen tegenkomen. In de geest van Marie Kamphuis gaat het daarbij om het werken aan professionele ontwikkeling: met diverse betrokkenen, op verschillende niveaus en rondom concrete activiteiten. Dus waar mogelijk met betrokkenheid van burgers, vrijwilligers, ervaringsdeskundigen, maar ook in samenwerking met wetenschappers, beleidsbepalers en andere maatschappelijke betrokkenen. Niet alleen op het individuele niveau van de sociaal werker, maar ook binnen het team en de organisatie en – bijvoorbeeld via de beroepsvereniging – op het niveau van het beroep als geheel. En steeds rond concrete maatschappelijke vragen en zoveel mogelijk verbonden met de concrete praktijk.

Marcel Spierts is zelfstandig onderzoeker en publicist. In 2017 hield hij de Marie Kamphuis Lezing: Pleidooi voor een democratisch sociaal werk.