De structurele dimensie van bestaanszekerheid

3 juni 2021

De coronauitbraak heeft mede geleid tot meer landelijke politieke aandacht voor bestaanszekerheid. De aandacht richt zich vooralsnog vooral op bestaansonzekerheid gerelateerd aan werk- en inkomensonzekerheid en de daaraan gekoppelde armoede en schuldenproblematiek. Ook het gebrek aan betaalbare woningen is veel in het nieuws. Dit is slechts een deel van het verhaal. Bestaansonzekerheid is al veel langer een veenbrand die woekert met veel meer impact dan op inkomen alleen. Bestaansonzekerheid heeft grote invloed op sociale relaties, gezondheidsverschillen en wonen. En zal zeker niet verdwenen zijn wanneer de pandemie voorbij is.

Niet iedere burger heeft evenveel bestaanszekerheid. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)  deelde de Nederlandse bevolking in 2014 al in zes bevolkingsgroepen in. Het gaat relatief goed met ‘de gevestigde bovenlaag’, ‘de jonge kansrijken’, ‘de werkende middengroep’ en ‘de comfortabel gepensioneerden’, samen 71 procent van de bevolking. Hiertegenover staan de ‘onzekere werkenden’ en ‘het precariaat’. Deze groep (29%) kenmerkt zich door tijdelijke banen, lage inkomens, moeilijke relaties, weinig sociale zekerheid en/of het ontbreken van een politieke stem, met een verhoogd risico op armoede, schulden en bestaansonzekerheid.

Deze verschillen in leefsituatie zijn intussen zeker niet afgenomen, zo blijkt uit de Sociale staat van Nederland van het SCP (2018 en 2020) en een door Movisie  uitgevoerde literatuurstudie. Bestaanszekerheid is niet corona gerelateerd  en zal niet verdwijnen wanneer de pandemie voorbij is. De aanpak van bestaans(on)zekerheid vereist een structurele aanpak. 

Het recht op bestaanszekerheid

Artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens formuleert dit als volgt: ‘Een ieder heeft recht op een levensstandaard die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen’. Deze invulling van Bestaanszekerheid vormt een belangrijk aspect van de menselijke waardigheid (College voor de Rechten van de Mens, 2016, blz. 8).

Hoopvolle omslag

Werd er in het verleden voornamelijk gefocust op de financiële aspecten van bestaanszekerheid, nu komen ook andere dimensies van bestaanszekerheid aan bod. In de propositie De winst van het sociale domein vragen de gemeenten aan het rijk om de basisvoorwaarden op orde te brengen door zekerheid te bieden. De zekerheid van voldoende en voorspelbaar inkomen, de zekerheid van werk en van mee kunnen doen in de samenleving en de zekerheid van een dak boven je hoofd in een geschikte en betaalbare woning. In deze propositie vragen de gemeenten de rijksoverheid op de terreinen van werk, inkomen en wonen om een aantal concrete maatregelen. Ook in een door Movisie gepubliceerde longread wordt in een breder perspectief naar oplossingen gezocht. De bredere aanpak van bestaansonzekerheid gaat echter nog niet ver genoeg. Een door Movisie uitgevoerde literatuurstudie laat zien dat de impact van bestaansonzekerheid zich niet alleen beperkt tot de terreinen van werk, inkomen en wonen. 

'De impact van bestaansonzekerheid beperkt zich niet alleen tot de terreinen van werk, inkomen en wonen'

Sociale relaties

Het hebben van sociaal kapitaal is een beschermende factor tegen armoede en schulden en/of het opvangen van de gevolgen daarvan. Ofwel: sociale relaties zoals familie, mensen in vergelijkbare situaties en vrienden vormen een probaat middel om bestaansonzekerheid te voorkomen of te verzachten. Zij vormen als het ware een extra vangnet bij bijvoorbeeld inkomensachteruitgang door het verlies van betaald werk en/of dragen vanuit lotgenotencontact bij aan de psychologische verlichting ervan. Veel jongeren kunnen bijvoorbeeld tijdelijk nog bij hun ouders terecht als zij als gevolg hiervan geen zelfstandige woonruimte meer kunnen betalen. 

Helaas blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat mensen in een kwetsbare positie ook vaak geen sociaal netwerk hebben die (risico op) bestaanszekerheid kan opvangen. Zo kunnen jongeren in een kwetsbare positie (bijvoorbeeld omdat ze in een jeugdzorgtraject zitten)  uitgerekend nou vaak juist niet terugvallen op hun ouders.

Een kwetsbaar sociaal netwerk dat de bestaansonzekerheid juist versterkt, zie je ook terug op de arbeidsmarkt. Voor de zekerheid laat zien dat van alle categorieën werkenden – vast, flexibel en zzp – dat de partner vaak eenzelfde soort contract heeft.

  • Vrouwelijke zzp’ers hebben gemiddeld drie keer vaker een zzp’er als partner dan hun seksegenoten met een vast of flexcontract (Voor de zekerheid, blz. 90). 
  • Flexibel werkenden leven steeds vaker samen met een ook flexibel werkende partner. Zij zijn extra kwetsbaar omdat beide partners een geringe baanzekerheid hebben. Het aantal zogenoemde flexkoppels is van 4% in 2005 toegenomen tot 7% van de werkzame beroepsbevolking in  2014 (Voor de zekerheid, blz. 89).
  • Het aantal huishoudens waarbij beide partners een vast contract hebben, blijkt afgenomen te zijn van 50% in 2005 tot 43% in 2014 (Voor de zekerheid, blz. 89).

'Bestaansonzekerheid is een complex probleem dat om een integrale en structurele aanpak vraagt'

Bestaanszekerheid kan ook een grote invloed uitoefenen op de aard en duurzaamheid van sociale relaties. Kremer constateert in Voor de zekerheid dat mensen die onzeker zijn over hun toekomst, niet snel allerlei lange termijnverbintenissen zullen aangaan, zoals het krijgen van kinderen. Bestaansonzekerheid in de vorm van armoede en het ontbreken van geld om mee te doen zorgt voor sociale uitsluiting en vermindert het sociaal kapitaal. Het CBS concludeert dat flexibele arbeid vooral voor de kwetsbare groep laagopgeleiden een belemmering kan vormen voor een vaste partnerrelatie en tot minder kans op samenwonen leidt. Het ontbreken of uitblijven van een vaste partner kan vervolgens weer consequenties hebben voor de vruchtbaarheid, de gezondheid en het welbevinden. Naast de daadwerkelijke positie op de arbeidsmarkt spelen ook gevoelens van onzekerheid een rol bij het besluit om te gaan samenwonen, trouwen of kinderen te krijgen. Het ontbreken van bestaanszekerheid leidt dus tot een grotere kans op minder duurzame (partner)relaties. En de afwezigheid van dergelijke relaties maakt het moeilijker om bijvoorbeeld de financiële gevolgen van het verlies van een baan op te vangen.

Samenhang tussen leefgebieden

Bestaanszekerheid is een complex vraagstuk. De impact in het ene leefgebied versterkt in een aantal gevallen de effecten op andere leefgebieden en vergroot daardoor de kwetsbaarheid van burgers. Een aantal voorbeelden van de optredende samenhang: 

  • een slechtere gezondheid betekent minder kansen op de arbeidsmarkt, werkloos zijn heeft weer een negatieve invloed op de gezondheid;
  • de flexibele arbeidsmarkt met de daarbij behorende werk- en inkomensonzekerheid verkleint de kansen om op een krappe woningmarkt aan betaalbare woningen te komen. Het gelijktijdig optreden van deze trends leidt tot extra risico’s en grotere bestaansonzekerheid;
  • burgers met een flexibele arbeidsrelatie en de daarbij behorende grotere werk- en inkomensonzekerheid hebben minder vaak de mogelijkheid om via hun sociale relaties tegenvallers op te vangen.

Conclusie

Bestaansonzekerheid is een complex probleem dat om een integrale en structurele aanpak vraagt. Met het voorstel in De winst van het sociale domein zetten gemeenten een belangrijke eerste stap. Hopelijk vindt deze navolging bij de rijksoverheid. Maar daarmee zal bestaanszekerheid zeker niet van de agenda verdwijnen. Structurele aandacht en het blijvend nadenken over oplossingen zal ook na corona nodig blijven.