Theorie en praktijk verbinden bij interventieontwikkeling door participatief werken

Een pleidooi aan de hand van een praktijkvoorbeeld: de methode 'Be A Man!'
artikel - 18 december 2012
Afbeelding bij Theorie en praktijk verbinden bij interventieontwikkeling door participatief werken

Kristin Janssens, december 2012

Hoe ontwikkel je een methode die theoretisch onderbouwd is en die goed aansluit bij de praktijk? Bij de ontwikkeling van de methode 'Be A Man!' werden wetenschappelijke en theoretische kennis en inzichten gekoppeld aan inzichten uit de praktijk middels een participatieve benadering. Acht peer educators, vijf migranten(zelf)organisaties en twee jongerenwerkorganisaties werden nauw betrokken bij het ontwikkelproces, met ieder een specifieke rol en inbreng.

Ontwikkeling van de methode: welke kennis zet u hiervoor in?

Methoden of (sociale) interventies kunnen stap voor stap worden ontwikkeld en verbeterd. De (kennis)cyclus die daarbij wordt doorlopen, bestaat uit de ontwikkeling, toetsing of validering en verspreiding van de interventie. Dit is een doorlopend proces van bedenken, toepassen, onderzoeken en verbeteren. Het is een intensief proces, maar elke stap levert bruikbare kennis op voor de praktijk. Lees ook ‘Interventies verbeteren: de kenniscyclus’.

Practice based versus evidence based

Veel interventies zijn ‘practice based’: vanuit de praktijk ontwikkeld. In de sociale sector leeft echter de opvatting dat interventies van professionals evidence based moeten zijn, ofwel: ‘wetenschappelijk bewezen effectief’. ‘Evidence based’ werken gaat over het gebruik maken van drie kennisbronnen bij het maken van keuzes over de best mogelijke behandeling of interventie. Het vereist de integratie van (1) het beste onderzoeksbewijs; (2) de eigen professionele expertise en (3) de unieke waarden en omstandigheden van de ‘cliënt’. ‘Evidence based’ werken gaat over het beslisproces van de professional (wanneer zet u welke interventie in en bij wie?). 

Verbinden van theorie en praktijk door participatief werken

Idealiter worden de drie kennisbronnen die nodig zijn om evidence based te werken vroegtijdig benut bij de ontwikkeling van een interventie. Door participatief te werken kunt u als ontwikkelaar de drie kennisbronnen met elkaar verbinden. Het gaat dan om de integratie en verbinding van theorie/wetenschappelijke kennis met praktijkinzichten: ervaring van de uitvoerders en de deelnemers (doelgroep). Een interventie wordt op deze manier zowel ontwikkeld op basis van theoretische/wetenschappelijke kennis, als op praktijkkennis. De koppeling van theoretische en wetenschappelijke inzichten aan inzichten uit de praktijk is van groot belang, wanneer we willen dat interventies of methoden ook goed toepasbaar zijn in de veranderende en weerbarstige praktijk.

‘Be A Man! Liefde, relaties en seks: wat is OK?’

De ontwikkeling van ‘Be A Man!’ is een mooi voorbeeld van participatief werken bij interventieontwikkeling en het verbinden van theoretische/wetenschappelijke kennis met praktijkkennis. Acht peer educators, vijf migranten(zelf)organisaties en twee jongerenwerkorganisaties werden nauw betrokken bij het ontwikkelproces, met ieder een specifieke rol en inbreng. Ga voor meer informatie over de methode naar www.movisie.nl/beaman

Participatief werken bij interventieontwikkeling

Om te zorgen voor een goede aansluiting bij de behoeften, wensen en mogelijkheden in de praktijk, is het nodig om relevante doelgroepen vroegtijdig bij de ontwikkeling van de interventie te betrekken, en niet pas bij monitoring en evaluatie. Hierbij is het van belang verschillende doelgroepen te onderscheiden en een keuze te maken wat betreft hun rol en inbreng bij het (participatieve) ontwikkelproces. Wetenschappelijke kennis kan zo in de praktijk getoetst worden aan de praktijkkennis van uitvoerders en doelgroep en er worden gezamenlijk keuzes gemaakt en prioriteiten gesteld.

Bij de methode ‘Be A Man!’ onderscheiden we de volgende doelgroepen:

  • De doelgroep: de laagopgeleide jongens, 12-16 jaar, met een Marokkaanse, Turkse en/of islamitische achtergrond.
     
  • De uitvoerders:
    o De intermediaire doelgroep of groep die als tussenschakel fungeert in de communicatie naar de (eind)doelgroep: vertegenwoordigers van migranten(zelf)organisaties en jongerenwerk, die met de interventie aan de slag gaan in de praktijk.
    o De eindgebruiker: de ‘preventieve boodschapper’ (peer educators).

Bij de ontwikkeling van ‘Be A Man!’ werden 8 peer educators vanaf het begin betrokken bij de ontwikkeling van de methode. Tijdens de trainingsperiode tot peer educator werden zij stelselmatig gevraagd om feedback te geven en mee te denken bij de inhoudelijke ontwikkeling van het programma, gaande van het selecteren van (leer)doelen, tot het meedenken over de scenario’s voor de filmfragmenten tot het concretiseren van werkvormen. De betrokken organisaties hebben vooral een rol gehad in het bereiken van de doelgroep, het faciliteren en organiseren van de voorlichtingsbijeenkomsten. Peer educators en vertegenwoordigers van betrokken organisaties werden ook gehoord tijdens de procesevaluatie door TNO. De laagopgeleide jongens uit de doelgroep hebben bijgedragen aan het testen van het te ontwikkelen beeldmateriaal en aan de evaluatie van de methode, door middel van vragenlijsten bij de voor- en nameting en individuele interviews.

Het nut van participatief werken bij interventieontwikkeling

Een participatieve benadering is een manier om een interventie te baseren op behoeften en wensen uit de praktijk, en ook aan te sluiten bij een werkwijze die ook wérkt in de praktijk. Het doel is daarmee tweeledig:

  • Goed aansluiten bij de behoeften en belevingswereld van de doelgroep, en daarmee bijdragen aan het gewenste effect op hun gedrag.
  • Goed aansluiten bij de behoeften en waarden van de uitvoerders met oog op draagvlak en inbedding in de praktijk en het bereiken van de doelgroep.

Uit de evaluatie van ‘Be A Man!’(1) door TNO Gezond Leven blijkt dat het principe van participatie zeer gewaardeerd wordt door alle partijen (2). Zij waarderen het dat zij een zekere zeggenschap hebben gehad.

Meer informatie

Wilt u meer informatie over het verbinden van theorie en praktijk bij interventieontwikkeling of over participatief werken? Neem contact op met Kristin Janssens via k.janssens@movisie.nl. Zie ook: www.movisie.nl/beaman.
 

  1. Bertens, Pannebakker en van Kesteren (augustus 2012). Evaluatie Peer2Peer. Evaluatie proefimplementatie 'PEER EDUCATION Be A Man! Liefde, relaties en seks: wat is OK?' Management Samenvatting. Leiden: TNO.
  2. Bij de ontwikkeling van ‘Be A Man!’ en het concretiseren van de mate van participatie en medezeggenschap werd de participatieladder van Pretty (1995) gehanteerd. Dit instrument is ook ingezet voor het evalueren van het participatieniveau. Pretty J. N. (1995). Regenerating agriculture policies and practice for sustainability and self-reliance. London: Earthscan Publications. Niveau 0 geen participatie; niveau 1 passieve participatie, ‘proefpersoon’ rol; niveau 2 participatie via informatie, ‘informatieverstrekkersrol’; niveau 3 participatie via consultatie, ‘adviseursrol’; niveau 4 functionele participatie, ‘referentenrol’; niveau 5 interactieve participatie, ‘volwaardige partner’; niveau 6 zelfmobilisatie ‘opdrachtgever’.
Kennisdossier

Reacties

Reageer op dit artikel

2 + 4 =
Los deze eenvoudige rekenoefening op en voer het resultaat in. Bijvoorbeeld: voor 1+3, voer 4 in.