Twijfel aan identiteit? We zijn allemaal sociaal werker

artikel - 30 oktober 2014
Identiteitscrisis

Welzijn Nieuwe Stijl en de nieuwe sociale professional zijn niet meer weg te denken in deze tijd. Kern daarin: de hulpverlener faciliteert, gaat actief op zoek naar hulpbronnen in het netwerk van de cliënt en schakelt pas professionals in als de cliënt met zijn hulpbronnen er niet uitkomt. Senior adviseurs Annelies Kooiman en Paul Vlaar over de nieuwe sociale professional en de toekomst van zijn beroep.

‘Sommige professionals in het veld kun je hels maken door aan te komen met de termen Welzijn Nieuwe Stijl en nieuwe sociale professional’, aldus Kooiman. ‘Vertel ons wat er nieuw aan is’, zeggen ze. ‘Wij werken al jaren zo.’ Wat wel nieuw is, is dat ze het nu in een ander perspectief gaan zien. Tien jaar geleden was de caseload lager. Ze moeten nu met minder geld meer kwaliteit leveren. De eisen van de financiers, maar zeker ook die van hulpverleners zelf, zijn veranderd. Men moet leren werken met totaal andere verhoudingen en in andere samenwerkingsverbanden.’

Generalist versus specialist

Bij de tijd van nu hoort ook het krachtige pleidooi voor generalistisch werken. De hulpverlener anno 2014 hoort vooral een generalist te zijn, dat is toch het dominante geluid. Kooiman: ‘Maar generalist is geen beroep. Generalistisch werken betekent dat je generalistisch kijkt en luistert. Dat je breed probeert te kijken naar een situatie, met anderen in jouw team. Vervolgens breng je bij een casusoverleg jouw specialisme in. Dus het specialisme gaat niet verloren.

Als je bij een klant bent, moet je een generalistische bril opzetten. Dus niet voor elk wissewasje een specialist erbij roepen, want dan krijg je weer twintig hulpverleners over de vloer.’ Paul Vlaar: ‘Specialisme is niet verkeerd, maar wel als het tot monopolisme leidt. Daar moet je mee oppassen, omdat iedere professional dan vanuit zijn eigen discipline redeneert.’

Nieuwe manier van werken

De werkwijze van de hulpverlener is in de praktijk van de laatste jaren onmiskenbaar veranderd. Aankomende hulpverleners, studenten, kun je die op de opleidingen aanleren. Kooiman: ‘De huidige omslag vraagt in het werkveld om innovatieve oplossingen, die in samenwerking met verschillende betrokkenen en professionals ontstaan. Daarvoor is een traditionele training niet de oplossing. Er zijn natuurlijk mensen die altijd al breed gewerkt hebben. Die hebben de afgelopen periode vooral tussen de regels door gemanoeuvreerd. Ik hoor vooral van die groep: ‘Blij dat we weer mogen doen wat nodig is in plaats van alleen maar te letten op de regels en papierwerk. Fijn dat ik weer meer professionele ruimte, professionele autonomie terugheb.’ Die groep werkers kun je nu als rolmodel gebruiken.’

 

Regels en vrijheid

Maar hoe zit het met werkers die baat hebben bij die regels en protocollen? In de jeugdzorg bijvoorbeeld kunnen die juist houvast geven omdat beslissingen verstrekkende gevolgen hebben voor cliënten. Kooiman: ‘Zeker. Dat is ook het vak en de situatie van de cliënt beveiligen. Zulke regels borgen de kwaliteit van het beroep. Ik zie dat overigens niet als tegengesteld aan professionele autonomie.’

'We moeten ondeugender worden, minder willen pleasen'

Vlaar: ‘Ik denk dat protocollen en beroepsregistraties ook veiligheid bieden aan de professional en vooral aan de cliënt. Dat je weet: dit zijn de normen en waarden die gelden voor mijn beroep. Zeker bij kwetsbare kinderen en ouders waar je sommige dingen echt niet over het hoofd mag zien.’ Die regels hoeven de herwonnen professionele autonomie niet in de weg te staan. ‘Zie ze niet als keurslijf. Ze blijven een hulpmiddel.’

Kooiman: ‘Ze zijn wel een keurslijf als het systeem en de protocollen de overhand gaan krijgen. Dan wordt het afvinken en daar moeten we echt van af. We moeten ondeugender worden, minder willen pleasen. Daarbij zijn leidinggevenden nodig die het lef hebben om hulpverleners de vrijheid te geven creatief te zijn en dingen te laten uitproberen.’

Meerwaarde van de professional

De verhouding tussen hulpverleners en cliënten verandert: eigen kracht doet zijn werk. Prima, tot op zekere hoogte, meent Vlaar. 'Als burgers en vrijwilligers het zelf kunnen moet je je er als professional niet mee bemoeien.' Hij zegt grote waardering te hebben voor allerlei initiatieven van zelforganisatie, zoals het zelf runnen door buurtbewoners van een buurthuis. Maar de vraag is volgens Vlaar tot welke grens die zelfredzaamheid reikt. 'Ik hoor gemeenteambtenaren nog wel eens beweren over hulpverlenen: ‘dat kan mijn buurvrouw ook’. Dan stel ik als wedervraag: ‘Kan ze het ook veertig uur per week met vijftien verschillende groepen en twintig verschillende casussen?’ Dan wordt het een ander verhaal.

'Schapen met vijf poten bestaan niet'

Met de opkomst van de vrijwilliger, de burger en eigen kracht zou de hulpverlener van vandaag wel eens kunnen gaan twijfelen aan zijn meerwaarde. Kan de nieuwe tijd tot een identiteitscrisis onder sociale professionals leiden? 'Ja', zegt Kooiman meteen. ‘Twijfel levert letterlijk pijn op. Als er bijvoorbeeld tegen ze wordt gezegd: ‘We gaan het nu anders doen’, kun je als antwoord krijgen: ‘Deed ik het daarvoor niet goed dan? Als ik alles moet kunnen, wat ben ik dan nog?’ Let wel: het zijn misvattingen, je hoeft niet alles te kunnen. Schapen met vijf poten bestaan niet.’

Allemaal sociaal werker

‘Ik probeer ze uit te dagen om hun rol en meerwaarde in de nieuwe context te ontdekken. Er blijven echt specialisten nodig. Er zullen zeker mensen in spreekkamers nodig blijven. Ik geloof er echt niet in dat al het werk door de sociale wijkteams kan worden gedaan. Ik geloof in die eerste en tweede schil, zoals ik net zei. Goed benutten van ieders expertise.’

'We komen allemaal uit die ene familie, genaamd sociaal werker'

Paul Vlaar wil nog even terugkomen op de identiteitsvraag: ‘Mensen identificeren zich heel sterk met hun vakspecifieke kant. ‘Ik ben jongerenwerker’. ‘Ik ben ouderenwerker’. ‘Ik ben maatschappelijk werker.’ Dat is prima. Maar we komen allemaal uit die ene familie, genaamd sociaal werker. Naar buiten toe, in de samenleving zou dat veel meer uitgedragen moeten worden. Je kunt je als grotere beroepsgroep ook veel sterker maken, lobbyen richting de overheid. Zeker als het straks allemaal verdeeld gaat worden over de gemeenten, moet je ergens je kracht uit kunnen putten.'

Een uitgebreide versie van dit interview verscheen begin oktober in vakblad Sozio

Reacties

Hallo Paul,

In je artikel geef je aan dat de werkers uit die ene familie komen die sociaal werker heet. Dat kloptl, net zoals een chirurg in een ziekenhuis deze term hanteert als beroepsgroep. Toch blijft voor mij dan de vraag hoe je het valkspecialisme kan uitoefenen als alleen de naam sociaal werker uitgedragen wordt.
In een ziekenhuis of andere specialistische organisaties heeft men daar afdelingen voor zodat je als klant/cliënt weet waar je met een specifieke vraag moet zijn.

In je pleidooi geef je aan dat je versnippering tegen wil gaan door een naam te hanteren hierbij vraag ik mij af hoe een klant/cliënt het onderscheid kan zien tussen de specialistische kennis.
Als een gezin met relatie problemen naar een jongerenwerker gaat of met opvoedvragen naar een ouderenwerker levert dat niet de juiste hulpaanbod op.

Mijn vraag is dan hoe dit voor degene met een hulpvraag duidelijk kan worden waar ze moeten zijn?
In de praktijk is de sociaal werker niet bezig met pr van de werkzaamheden die er verricht worden. geen aparte afdelingen die met een bewegwijzering aangeven wat je op welk gebied er kan halen. Als er dan alleen de naam sociaal werker aan vast hangt weet de hulpvrager helemaal niet meer waar ze heen moeten. Wat voor beeld geef je dan af aan de buitenwereld?

Dag Joeke-Linda,
Zie je de gezinscoach als één van de varianten van sociaal werk? In ons pleidooi willen we aangeven dat de versnippering in allerlei kleine beroepen, het beeld in de buitenwereld niet ten goede komt. Dank voor je bijdrage aan de discussie.

De naam: gezinscoach vind ik beter passen.

Reageer op dit artikel

4 + 1 =
Los deze eenvoudige rekenoefening op en voer het resultaat in. Bijvoorbeeld: voor 1+3, voer 4 in.