Van vangnet naar bemoeizorg: wat weten we?

In gesprek met projectleider Sonja van Rooijen

Wat is bemoeizorg en voor wie is het bedoeld? De komende tijd gaat Movisie vijf bemoeizorgpraktijken volgen om te leren van hun ervaringen en te achterhalen wat goed werkt. In dit artikel vragen we projectleider Sonja van Rooijen naar haar ervaringen met de bemoeizorg in Nederland.

Is er een duidelijke definitie van bemoeizorg?  

‘De term bemoeizorg is in de praktijk heel gangbaar en wordt gebruikt wanneer het gaat om mensen in een heel zorgelijke situatie vanwege meervoudige problematiek, maar die niet in staat zijn om zelf hulp en ondersteuning te zoeken. In dat soort situaties is het belangrijk dat er contact wordt gelegd en hulp wordt geboden, ook als mensen het contact in eerste instantie lijken af te houden. Bemoeizorg is aanhoudende hulp; het gaat erom dat hulpverleners contact proberen te maken en vertrouwen weten te wekken om zo een ingang te vinden en hulp te organiseren die nodig is. Lukt het een eerste keer niet, dan blijven de ‘bemoeizorgers’ op verschillende manieren contact leggen, een tweede, een derde, een volgende keer, thuis, op straat of waar dan ook.’

Waarom spreken we over bemoeizorg?

Een hulpverlener die bemoeizorg biedt (‘bemoeizorger’) is geen bemoeial die zich mengt in ongenode zaken, maar iemand die opkomt voor mensen die de weg zelf niet weten te vinden en soms het besef niet hebben dat hulp heel noodzakelijk is. Ook al wordt het contact in eerste instantie afgehouden, in tweede instantie is er dikwijls - met de nodige inspanningen - wel contact mogelijk. Contact is het sleutelwoord, want bemoeizorg staat of valt met het opbouwen van contact en vertrouwen. Dat is best lastig en het vergt tijd. Iemand die bijvoorbeeld geen woning meer heeft en zich door allerlei instanties in de kou voelt staan, zal niet snel ingaan op pogingen tot contact. Het geven van een kop koffie is soms een eerste breekijzer maar daarmee is de weg naar hulp nog niet geplaveid. En als het wel lukt om mensen toe te leiden naar reguliere zorg, dan is de kans best aanwezig dat mensen zich een tijdje later opnieuw onttrekken aan zorg. Maar opgeven is geen optie bij bemoeizorg. Daarom spreken we over aanhoudende hulp of assertieve zorg. Dat is een vak apart waar bemoeizorgteams heel bedreven in zijn.’

Om welke mensen gaat het?  

‘Er zijn heel uiteenlopende omstandigheden en doelgroepen. Het kan gaan om alleenstaande ouderen met dementie die niet goed meer voor zichzelf kunnen zorgen. Dakloze mensen met ernstige verslaving en veel psychosociale problemen (jong en oud). Mensen met verstandelijke beperkingen. Maar ook mensen met psychische problemen die geen contact maken met andere mensen, wantrouwend zijn en de zorg zijn gaan mijden.  

Sommige mensen geven overlast in een buurt, maar dat geldt zeker niet voor iedereen. Er zijn juist ook veel mensen die zich terugtrekken en contacten met hulpverleners verbreken, die niet opendoen als buren, familie, huisartsen of andere zorgverleners voor de deur staan. En er zijn mensen die dakloos zijn en opvallen omdat ze rondzwerven in parken en rond stations. Meestal gaat het om individuele personen die bemoeizorg nodig hebben. Maar je kan ook denken aan jongeren die voornamelijk op straat leven en meer in groepsverband optrekken. Dat vraagt een specifieke benadering met andere hulpverleners zoals opbouwwerkers. Uitgeprocedeerde vluchtelingen of mensen die in de illegaliteit leven vormen weer een andere groep. Ook hier gaat het om een heel specifieke vorm van ondersteuning.’

Waarom dit project?  

‘Als er sprake is van overlast in de buurt, dan leidt dat altijd tot veel ophef in de media. De zorg schiet al snel te kort, zo is de beeldvorming. Tegelijkertijd is er in de praktijk juist enorm veel aandacht voor meldingen van overlast of meldingen waarbij het niet zozeer gaat om overlast maar om signalen waarover wel degelijk zorgen bestaan. Deze meldingen worden meestal heel snel opgepakt, bijvoorbeeld door vangnetteams. Hulpverleners maken een snelle inschatting van de situatie, kijken of mensen al ergens zorg krijgen en leggen dan contact met de aangewezen instanties of hulpverleners. Op die manier wordt een hoop voorkomen.  

Voor een veel kleinere groep is er veel meer nodig. Denk aan ‘notoire overlastgevers’ die keer op keer door de politie worden aangesproken of opgepakt, waar tal van instanties en hulpverleners bij betrokken zijn en waar het toch heel moeilijk lijkt om grip te krijgen op deze groep. In dit project willen we inzoomen op deze groep. We gaan een vijftal bemoeizorgprojecten uitgebreid volgen en beschrijven hoe zij in de praktijk bemoeizorg vormgeven, wat daarbij goed werkt en waar de obstakels liggen. We reflecteren op die obstakels en bespreken met alle betrokkenen hoe je dat het beste aanpakt, hoe je de onderlinge samenwerking versterkt en hoe je vermijdt dat je te maken krijgt  met zogenaamde draaideurcliënten die overal worden gemeden.’

Opgeven is geen optie bij bemoeizorg

Is dit niet gewoon het zoveelste project?

‘Dit is zeker niet het eerste project gericht op bemoeizorg, laat ik dat vooropstellen. Er is misschien wél een groeiende groep die bemoeizorg nodig heeft. Dat heeft zeker te maken met de ambulantisering  (geen opnames maar zorg aan huis en poliklinische contacten) van de zorg. Ouderen wonen langer thuis, de verblijfsduur in GGZ-instellingen is steeds korter geworden, voorzieningen voor dak- en thuislozen zijn schaars of overbezet en er wordt steeds meer appel gedaan op eigen regie. Dat is lang niet voor iedereen weggelegd.  

Bemoeizorg bestaat al lange tijd. De term is in 1993 geïntroduceerd door H. Henselmans. Er waren in die periode verschillende regionale zorgvernieuwingsprojecten voor bemoeizorg omdat er ook toen al zorgen waren over mensen die geen hulp zochten terwijl er wel aanleiding was. De bemoeizorgers of pioniers van het eerste uur hadden betrekkelijk veel ruimte om buiten de gebaande kaders te werken. Nu voelen hulpverleners zich dikwijls ingeperkt door de financiële kaders, privacywetgeving of andere kaders die samenwerking soms in de weg lijken te staan. Schaarste aan personeel en wachtlijsten in de GGZ en verslavingszorg helpen ook niet mee. Bemoeizorgpraktijken voelen zich onder druk staan en iedereen valt erover. Om die reden is dit project gestart, om juist te leren van de projecten waar het wel lukt en een beter begrip te krijgen van de huidige weerbarstigheid van de praktijk.’

Wat valt op in de praktijkverkenning?  

‘Zoals gezegd wordt er heel snel gehandeld als er meldingen binnenkomen. Het zijn gedreven hulpverleners die een goed overzicht hebben van het sociale netwerk en snel contact weten te leggen.  

Het vangnet is goed georganiseerd. Mensen die al ergens zorg krijgen, worden snel geholpen. Het gaat vooral knellen als er aanhoudende bemoeizorg nodig is. Ervaren werkers in speciale bemoeizorgteams kunnen hier heel goed mee overweg. De toeleiding naar de GGZ is lastig. En er lijkt  kennis weggelekt te zijn bij de FACT-teams, ambulant werkende GGZ-teams die multidisciplinair zijn samengesteld en goed in staat zijn om de zorg waar nodig snel te intensiveren, Zo nodig komen de FACT-hulpverleners dagelijks langs. Voorheen waren zij meer vertrouwd met het bieden van bemoeizorg, zo lijkt het. En ze hadden hier meer ruimte voor. Bij multiproblematiek doemen ook veel probleem op. De verslaving wijst naar de GGZ en vice versa. Dat geldt ook bij mensen die licht verstandelijke beperkingen hebben. Ook hier gaat het meestal om meerdere problemen waaronder verslaving, GGZ- en psychosociale problemen. Samenwerking tussen hulpinstanties is hier toch het sleutelwoord;  zij moeten zich medeverantwoordelijk voelen, als het ware een gedeeld eigenaarschap.

Het valt ook op dat goed lopende samenwerkingsprakijken soms stoppen, omdat er vanwege een nieuwe aanbesteding nieuwe partijen in het veld komen. Dat kost al gauw een paar jaar om weer terrein te winnen, zowel bij partijen onderling als ook bij de cliënten die hulp nodig hebben.  De financiering is een bottleneck omdat er geen structurele gelden zijn toegekend. Keer op keer moeten nieuwe projectaanvragen worden geschreven.  

De wachtlijsten zijn groot waardoor GGZ- en verslavingsmedewerkers de neiging hebben om de zorg voor mensen die bemoeizorg nodig hebben af te houden. Zij krijgen namelijk geen vergoeding als een cliënt niet komt opdagen bij een afspraak, wat vaak gebeurt.'

Waar staan jullie met het project?

‘We hebben tot nu toe naast een literatuuronderzoek een praktijkverkenning gehouden, bestaande uit digitale interviews. We spraken met managers, projectleiders, wijk-GGD en andere mensen die bemoeizorg bieden. Deze verkenning geeft zicht op de verschillende praktijkvarianten. Zoals blijkt uit de factsheet die we maakten. We zien in de praktijk overal onderscheid in een eerste vangnet-traject. Snel oppakken van meldingen, triage en toeleiding naar hulpverleners waarmee al lopende contacten bestaan. Wanneer dit onvoldoende van de grond komt en het niet lukt om in contact te komen met de persoon waarover zorgen bestaan, wordt snel doorgeschakeld naar het vervolgtraject, het bieden van bemoeizorg. Als er reden is om direct de crisiszorg in te schakelen, dan zal het bemoeizorgteam daarmee contact opnemen en waar nodig aandringen op een beoordeling door de psychiater. Na de inzet van de crisiszorg kan eventueel worden besloten tot een opname, bijvoorbeeld bij ernstige psychische ontregeling. In de ontslagfase wordt besproken wie de zorg overneemt, het FACT-team, bemoeizorgteam en/of wijkteam. Deze trajecten hebben we schematisch in beeld gebracht en deze weergave gaan we voorleggen voor nadere aanscherping. We nodigen uit tot reacties.’

Wat is de olifant in de kamer?  

‘Wat we tot nu toe horen is dat veel praktijken tegen de niet-structurele financiering en de aanbestedingen aanlopen.  Deze kosten immens veel tijd en geven onzekerheid. Ook alle wachtlijsten zijn zorgelijk waardoor hulp die tijdelijk bedoeld is veel langer doorloopt, met als gevolg dat ook de bemoeizorgteams dicht slippen. GGZ en verslavingszorg zijn zeer terughoudend om cliënten die hulp afhouden, lang in zorg te houden. Maar dat is precies wat deze mensen meestal wel nodig hebben: langdurige zorg en ‘bemoeienis’, in positieve zin. Bemoeizorg houdt niet op na zes maanden.’

Hoe nu verder? 

‘De praktijkverkenning loopt nog door en we gaan vanaf maart-april aan de slag met vijf lerende praktijken. Inmiddels voeren we al startgesprekken met bemoeizorgpraktijken en samenwerkingsverbanden uit verschillende regio’s. We hebben nog plek, dus wil je hier graag aan meedoen, neem dan contact met mij op.’ 

Bekijk de factsheet