Een verkenning van aanbod, gebruik en financiering van Logeerhuizen

9 september 2019

Gemeenten en aanbieders erkennen het belang om een passend respijtaanbod te ontwikkelen en zijn daar vaak druk mee bezig. Mede door de verschillende wet- en regelgeving is het soms lastig om een logeervoorziening in de vorm van een respijthuis op te zetten. Movisie deed een verkenning onder een aantal logeerhuizen. Het doel van deze verkenning was om een eerste inzicht te krijgen in succesfactoren en belemmeringen van de exploitatie van logeerhuizen.

De verkenning leverde algemene inzichten op, maar vooral ook een kijkje in de specifieke logeerhuizen. We bespreken de algemene inzichten rondom het aanbod, gebruik en de financiering van de logeerhuizen. In het artikel Inzet logeerhuis zorgt voor adempauze mantelzorger geven we meer uitleg over logeerhuizen en de wet- en regelgeving.

Lees artikel

Overeenkomsten en verschillen bij logeerhuizen

Er zijn een aantal patronen zichtbaar rondom het aanbod, het gebruik en de financiering van logeerhuizen. Vanwege de relatief kleine populatie van de verkenning, is het belangrijk om de resultaten als eerste inzichten te zien en daar ook die zwaarte aan te hangen. Vervolgonderzoek is nodig om een representatief beeld te schetsen van de exploitatie van logeerhuizen. Voor deze verkenning werden tien vertegenwoordigers van logeerhuizen geïnterviewd.  

Aanbod

  • In de eerste plaats leidt een greep uit het aanbod van logeerhuizen tot een scala aan verschillende voorbeelden met grote verschillen én nuanceverschillen op ieder niveau. De metafoor van een fruitmand lijkt op zijn plaats: er zijn veel verschillende logeerhuizen die soms wel en soms helemaal niet met elkaar te vergelijken zijn.
  • Logeerhuizen verschillen op veel vlakken van elkaar. Om te beginnen kan het initiatief bij de gemeente liggen, maar ook bij aanbieders of burgers. Verder richten sommige logeerhuizen zich op specifieke groepen, zoals mensen met beginnende dementie, terwijl andere logeerhuizen geen specifieke doelgroep hebben. Ook zijn verschillen zichtbaar wat betreft de inzet van beroepskrachten en vrijwilligers en combinaties daarvan.
  • Vanwege enorme diversiteit van logeerhuizen is het moeilijk om werkzame elementen te destilleren. Vooral omdat maar een beperkt aantal logeerhuizen zijn geraadpleegd. Overal spelen factoren mee die in meer of mindere mate bepalend zijn of ‘iets’ een werkzaam element is. Denk dan aan factoren zoals de omgeving van het logeerhuis (bijvoorbeeld dichtbij het strand, in het bos of middenin de stad), of men bekend is met de locatie (bijvoorbeeld door dagopvang aan te bieden voordat men gaat logeren) of de nabijheid van andere logeervoorzieningen.
  • Wat betreft de locatie van het logeerhuis lijken zich twee mogelijkheden af te tekenen. Aan de ene kant kiezen logeerhuizen voor een ‘aparte locatie’, bijvoorbeeld een woonhuis, vrij van andere vormen van zorg of ondersteuning. Andere keren maken logeerhuizen onderdeel uit van een woon-zorgcentrum of zijn ze gesitueerd in een vleugel van het verpleeghuis. Beide vormen hebben hun eigen voor- en nadelen. Zo heeft een aparte locatie vaak een huiselijke sfeer en heeft het niets weg van een instelling. Voor mantelzorgers en hun naasten werkt dat drempelverlagend om gebruik te maken van de voorziening. Aan de andere kant is het voordelig dat er in een woon-zorgcentrum ook professionele zorg aanwezig is. De aanwezigheid van verpleegkundigen werkt geruststellend voor mantelzorgers.

Gebruik

  • Het is opvallend dat er veel informele initiatieven lijken te zijn als het gaat om een logeeropvang als (Wmo-)respijtzorg. Vaak worden deze initiatieven gerund door één of twee professionals en een groep vrijwilligers. Ondanks dat deze vrijwilligers vaak affiniteit met of een achtergrond in verzorging hebben, blijkt dit soms kwetsbaar. Vooral als bijvoorbeeld de economie aantrekt en een gedeelte van de vrijwilligers ergens anders een betaalde baan vindt.
  • Mede doordat er veel informele initiatieven zijn, leent het aanbod van logeerhuizen zich niet altijd voor alle groepen mensen. Vooral voor mensen met bijvoorbeeld ggz-problematiek of zwaardere dementie is het soms lastig logeeropvang te vinden. Bijna ieder logeerhuis doet uitgebreide intakes om te bepalen of het aanbod geschikt is voor de zorgvraag van een gast. Veel logeerhuizen geven daarbij aan dat de hulpvraag vaak groter blijkt als mensen eenmaal in het logeerhuis verblijven. Niet in de laatste plaats omdat de mantelzorger thuis meer hulp en ondersteuning verleent dan waar hij of zij zich bewust van is. Een voorwaarde voor het gebruik van Wmo-respijtzorg is een bepaalde mate van zelfstandigheid van gasten. Een voorbeeld is dat men nog zelfstandig gebruik maakt van het toilet.
  • De administratieve last waar logeerhuizen mee te maken hebben, kost vaak tijd en energie die niet aan de gasten besteed kan worden. Vooral als logeerhuizen tijdelijk verblijf vanuit de Wmo, Zvw én Wlz aanbieden neemt de administratieve last toe. Ook wanneer  iemand wil blijven logeren uit een gemeente waar geen contract mee is afgesloten is de administratieve last (te) hoog. De aanvraag moet dan omgezet worden in Wmo-PGB zodat inwoners zelf de logeerzorg kunnen inkopen. Ten slotte ondersteunen logeerhuizen gasten vaak met de administratie die er voor hen bij komt kijken, zoals bijvoorbeeld het meenemen van wijkverpleging naar het logeerhuis.

Financiering

  • In de gesprekken met logeerhuizen kwamen grofweg twee manieren naar voren waarop logeerhuizen gefinancierd worden. Aan de ene kant zien we een subsidierelatie met gemeente, aangevuld met inkomsten uit fondsen en of giften. Inwoners van de desbetreffende gemeente kunnen dan vaak zonder indicatie gebruik maken van de logeerzorg. Bijna altijd betalen inwoners dan zelf een eigen bijdrage. Dit kan variëren van 5 euro tot 40 euro per etmaal. Aan de andere kant zien we financiering op basis van vergoedingen per nacht uit de verschillende stelsels: Wmo, Wlz en in mindere mate Zvw. Wat gemeenten vergoeden verschilt enorm, in dit verkennende onderzoek kwamen we vergoedingen tegen van 40 euro per etmaal en van 120 euro per etmaal (vanuit de Wmo). Over het algemeen lijken deze vergoedingen niet toereikend om alle kosten voor de logeerhuizen te dekken. Ook merken aanbieders vaak op dat vergoedingen voor andere vormen van verblijf, bijvoorbeeld uit de Zvw of Wlz, hoger liggen dan de vergoedingen die gemeenten financieren.
  • Als we dieper ingaan op de kostenposten van logeerhuizen komt huisvesting meer dan eens naar voren als grootste kostenpost. Vertegenwoordigers van logeerhuizen geven aan dat daar winst op te behalen valt door creatieve oplossingen te verzinnen. Bijvoorbeeld in gesprek gaan met verhuurders om het maatschappelijke belang van logeerhuizen uit te leggen en zo een lagere huurprijs af te dwingen. Of het huren van een logeerhuis met extra ruimtes die je zelf weer kunt verhuren, om extra inkomsten te generen.