Waarom gezondheid niet begint in de spreekkamer van de huisarts, maar in de straat

Opiniestuk

Politieke partijen willen graag bezuinigen op de zorg. Dat kan, het is geen quick fix, maar er valt wel een wereld te winnen. Dat zeggen Janny Bakker, Hans Alderliesten en Marcel Ham van Movisie.

Dit opiniestuk verscheen onlangs in het Nederlands Dagblad

De miljardenbezuinigingen op de zorg vliegen ons deze verkiezingscampagne om de oren. Het terugdraaien van de halvering van het eigen risico, of zelfs het verhogen daarvan van 385 naar 440 euro. De bevriezing van het basispakket. En ook de ouderenzorg blijft niet buiten schot.

Het is opvallend dat alle partijen willen inzetten op preventie, maar dat ze daar geen stevig punt van maken in debatten. En al helemaal niet durven kiezen voor een verschuiving van een miljard van de zorg naar ‘investeren in wonen, werk en welzijn’, zoals directeur Aad de Groot van de zorgverzekeraar DSW onlangs bepleitte. Toch zijn er genoeg aanwijzingen dat een sociale benadering van zorgbehoeften de zorg aanzienlijk kan verlichten. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie bepalen sociale factoren voor 30 tot 55 procent, afhankelijk van de situatie, de gezondheid van mensen.

Ondersteunende netwerken voor mantelzorgers

Vrijwilligers van buurtcentra kunnen zorgverzekeraars veel geld besparen, berekende econoom Marcel Canoy onlangs. In Eijsden in Zuid-Limburg onderzocht hij het en kwam tot de conclusie dat elke euro die één betaalde kracht kost minimaal zes euro oplevert. Honderden vrijwilligers creëren in Eijsden een zorgzame gemeenschap.

De verschuiving van zorg naar welzijn die De Groot bepleit is nodig omdat er voor een effectieve besparing geïnvesteerd moet worden in sociaal werk, vrijwilligerswerk en ondersteunende netwerken voor mantelzorgers. Met het in september gesloten Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) tussen overheden, zorg- en welzijnspartijen wordt hiermee een begin gemaakt. Hiermee kunnen gemeenten straks investeren in ondersteuning in buurten en wijken.

Op de vraag of je de buurman ‘even elke dag onder de douche wilt zetten’, zeggen de meeste mensen hartstochtelijk ‘nee’.

Bedenk wel dat een al te fanatieke nadruk op geld besparen in de zorg de waarde van sociale initiatieven tekort doet. Want al die zorgzame gemeenschappen, waar burgers met elkaar - al dan niet met hulp van sociaal werkers - ‘voorzorgcirkels’ smeden en bijvoorbeeld mensen met dementie onder hun hoede nemen hebben ook een eigen waarde. En zijn al helemaal niet van bovenaf te sturen. 

Op de vraag of je de buurman ‘even elke dag onder de douche wilt zetten’, zeggen de meeste mensen hartstochtelijk ‘nee’. Andersom werkt het wel: als mensen meer voor elkaar van betekenis zijn, leidt dat door verbeterd welbevinden ook tot een daling van de zorgvraag.

Met die kanttekeningen - niet te snel geld willen besparen en ‘sociaal’ heeft een eigen waarde - durven we te stellen: elke euro die je steekt in gemeenschapskracht, preventie en bestaanszekerheid betaalt zich dus dubbel terug, in minder druk op ziekenhuizen én in veerkrachtige buurten waar mensen naar elkaar omzien.

Sociale participatie als bepaler van gezondheid

Deze beweging van ‘zorg naar welzijn’ vraagt de komende jaren veel inzet. We doen daarvoor drie suggesties. Als eerste: denk niet vanuit doelgroepen of ziektebeelden, maar vanuit mensen die een leven leiden. Dit is geen vrijblijvende oproep, het betekent dat voor het landelijke en lokale beleid niet een beleidsonderwerp of -afdeling, zoals bijvoorbeeld zorg of huishoudelijke hulp, het uitgangspunt moet worden, maar wat iemand nodig heeft. Dat is ook je eerste vraag aan iemand die aanklopt voor ondersteuning: wat heeft u nodig?

Een minister of staatssecretaris voor die sociale basis, dus voor ‘veerkrachtige wijken en zorgzame buurten’, kan enorm bijdragen aan dit weefsel.

Als tweede: meedoen maakt gezonder. Iemand die aandacht krijgt komt minder vaak bij de dokter. Algemener gesteld: sociale participatie is een belangrijke bepaler van gezondheid. Dat vraagt dus om het organiseren van ontmoetingen en activiteiten, dicht bij huis. 

Gelukkig hechten vrijwel alle politieke partijen volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau belang aan ‘ontmoetingen, de Nederlandse taal en goed contact tussen buurtgenoten’. Maar ontmoetingen gaan niet zonder investeringen in de sociale basis (al die dingen die mensen en de lokale overheid samen doen om het leefbaar te maken - van sportclubs tot de huisarts) en het sociaal werk in het bijzonder.

Een minister of staatssecretaris voor die sociale basis, dus voor ‘veerkrachtige wijken en zorgzame buurten’, kan enorm bijdragen aan dit weefsel. In het bijzonder kan een wet op het sociaal werk helpen. Bewoners kunnen daarop een beroep doen wanneer ze willen werken aan sociale samenhang in hun buurt.

Het sociaal domein versterken

Als laatste: het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is een prachtig instrument om een serieus begin te maken met meer gezondheid door sociale inzet. Maar dan moeten we het wel goed inzetten. Bestem een deel van de middelen voor burgerinitiatieven die zorg voor elkaar in de praktijk zichtbaar maken. Beleg de beoordeling van aanvragen daarvoor niet bij gemeenten of zorgverzekeraars, maar bij een apart fonds, dat met kennis van de sociale basis werkt.

Gezondheid begint niet in de spreekkamer maar in de straat. Waar mensen elkaar kennen, helpen en erbij horen, daalt de zorgvraag vanzelf. De toekomst van de zorg ligt niet bij meer specialisten maar bij sterkere samenlevingen. Wie het sociaal domein versterkt, bouwt aan een gezondere samenleving.