Wmo 2015: wat is er veranderd?

artikel - 25 januari 2015
Afbeelding bij Wmo 2015: wat is er veranderd?

Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen de nieuwe wet en de oude Wmo? In dit artikel vindt u de belangrijkste op een rij.

Gemeenten breder verantwoordelijk voor participatie en zelfredzaamheid

Gemeenten hebben in de nieuwe Wmo een bredere verantwoordelijkheid voor de deelname van mensen met een beperking of psychische problematiek aan het maatschappelijke verkeer (participatie). Ook moeten zij een passende ondersteuning bieden waarmee mensen in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden (zelfredzaamheid). Mensen die voor hun begeleiding (gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid) een beroep deden op de AWBZ, kunnen zich nu wenden tot de gemeente. Het gedeelte van deze doelgroep dat verzorging nodig heeft die in het verlengde van de begeleiding wordt geleverd en daarmee samenhangt, valt sinds 1 januari 2015 ook onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. De AWBZ-termen ‘begeleiding’ en ‘verzorging’ zijn vervallen in de nieuwe wet.

Van compensatieplicht naar maatwerkvoorziening

In de oude Wmo stond de compensatieplicht centraal. Gemeenten zijn verplicht om mensen met een beperking of psychische problematiek te compenseren voor de beperkingen die zij ondervinden bij hun zelfredzaamheid en participatie. In de huidige wet worden daarbij vier resultaatgebieden onderscheiden. In de nieuwe Wmo is de term ‘maatwerkvoorziening’ geïntroduceerd. De verplichting voor gemeenten om maatwerk te leveren is in de nieuwe wet ruimer geformuleerd dan de compensatieplicht. De maatwerkvoorziening is aanvullend op wat iemand zelf kan bijdragen, en vormt samen met de inzet van eigen kracht of, indien van toepassing, gebruikelijke hulp of mantelzorg een samenhangend ondersteuningsaanbod, ofwel maatwerk. Ook het gebruik van een algemene voorziening kan, afhankelijk van de omstandigheden van de cliënt, tot het vereiste maatwerk leiden.

Resultaatverplichting blijft

Gemeenten hebben in de nieuwe wet nog steeds een resultaatverplichting. Het uitgangspunt is dat zelfredzaamheid en meedoen de verantwoordelijkheid zijn van mensen zelf. Maar gemeenten zijn gehouden om beleid te maken ter ondersteuning van mensen die niet volledig zelf kunnen voorzien in hun zelfredzaamheid en participatie, of behoefte hebben aan beschermd wonen of opvang.

Minder prestatievelden

In de oude Wmo stonden de welbekende negen prestatievelden centraal. Zij vormden in veel gemeenten de leidraad voor de Wmo-beleidsplannen. In de nieuwe wet komen geen prestatievelden meer voor. Wel wordt in de wettekst bij de begripsomschrijving van ‘maatschappelijke ondersteuning’ aangegeven waar gemeenten zich mee bezig dienen te houden. Hier zijn de prestatievelden (gedeeltelijk) in te herkennen.

Maatschappelijke ondersteuning
Wetsvoorstel Wmo 2015, artikel 1.1.1

Het begrip ‘maatschappelijke ondersteuning’ omvat:

  1. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,
  2. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,
  3. bieden van beschermd wonen en opvang

Pgb en voorzieningen in natura

In de nieuwe wet kunnen cliënten nog steeds een keuze maken tussen voorzieningen in natura of een persoonsgebonden budget. In artikel 2.3.6 van de nieuwe wet staat:

‘Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken’.

De voorwaarden waaronder inwoners in aanmerking komen voor een pgb worden wel uitgebreider geformuleerd.

Cliënten- en burgerparticipatie

In de oude Wmo wordt cliënten- en burgerparticipatie geregeld in artikel 11 en 12. Veel van de eisen die hier worden opgesomd zijn terug te vinden in de nieuwe wet. Opnieuw moeten ingezetenen vroegtijdig in staat worden gesteld om voorstellen te doen en advies te geven. Hieraan is tijdens de behandeling van de nieuwe Wmo toegevoegd dat het nadrukkelijk ook cliënten of hun vertegenwoordigers moeten zijn waar mee gesproken wordt. In de oude Wmo werd daarbij expliciet aandacht besteed aan de belangen en behoeften van kleine, kwetsbare groepen. In de nieuwe Wmo zijn deze expliciete aandachtspunten vervallen. Ook de bepaling in de oude Wmo dat de gemeente advies moet vragen aan de ingezetenen alvorens het Wmo-beleidsplan vast te stellen, is in de nieuwe wet losgelaten. In de nieuwe wet staat wel expliciet dat ingezetenen dienen te worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Dit staat niet in de oude wettekst.

Inkoop en kwaliteit

In de nieuwe wet staat dat de gemeente de wet kan laten uitvoeren door derden. Er zijn ook bepalingen opgenomen over de criteria die de gemeente bij een eventuele aanbesteding moet hanteren. De Memorie van Toelichting van de nieuwe wet stelt bovendien dat gemeenten cliënten actief bij het inkoopbeleid dienen te betrekken. Ook moeten zij streven naar diversiteit in het gecontracteerde aanbod en creatieve mogelijkheden bieden voor individueel maatwerk, als de door aanbieders aangeboden pakketten niet toereikend zijn.

Aanbieders moeten zich richten naar de cliënt

De Memorie van Toelichting stelt daarnaast dat keuzevrijheid en zeggenschap belangrijk zijn bij ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening. Als de cliënt ondersteuning in natura ontvangt, wil de regering aanbieders aansporen om meer maatwerk te bieden en innovatieve arrangementen te ontwikkelen. Hierbij hoort ook dat aanbieders zich moeten richten naar de cliënt en niet (of minder) naar de regels en gebruiken binnen hun organisatie. In het nieuwe wetsvoorstel is een uitgebreid hoofdstuk opgenomen over kwaliteit. In dit hoofdstuk worden bepalingen geformuleerd voor de kwaliteit van het aanbod van de aanbieders van maatschappelijke ondersteuning. Lees ook de brochure van Movisie over kwaliteit in de Nieuwe Wmo.

Huiselijk geweld hindert participatie

In de wet wordt huiselijk geweld gezien als een belemmering voor participatie. De nieuwe Wmo maakt gemeenten nadrukkelijk verantwoordelijk voor de preventie en aanpak van huiselijk geweld, ook als de hulp uiteindelijk geleverd wordt op regionaal of landelijk niveau. Onder huiselijk geweld wordt onder andere verstaan:

  • (ex-)partnergeweld
  • kindermishandeling
  • ouderenmishandeling
  • mishandeling van ouders

Mishandeling kan fysiek, seksueel, psychisch en materieel/financieel van aard zijn.
Hoewel er voor de toegang tot voorzieningen over het algemeen een procedure is, die enkele weken duurt, kan hiervan worden afgeweken wanneer de veiligheid dit vraagt. Een belangrijke reden om direct hulp te bieden, zonder intake, is wanneer er sprake is van (acuut) huiselijk geweld.

AMHK: integrale aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling

De nieuwe Wmo vereist het samenvoegen van het Steunpunt Huiselijk Geweld en het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Hiermee wordt bijgedragen aan het integreren van de bestrijding van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het AMHK krijgt de bevoegdheden die eerder bij het SHG of het AMK lagen. Het heeft dus onderzoeksbevoegdheid en professionals hebben het recht aan hen gegevens te verstrekken, ook als dat moet zonder toestemming van een cliënt.

Meldcode voor alle aanbieders

De Wet Verplichte Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling die per 1 juli 2013 is gaan gelden, verplicht instellingen en zelfstandigen in zorg en welzijn te werken met een meldcode. In de nieuwe Wmo wordt dit nog eens bevestigd: alle aanbieders zijn verplicht te werken met de meldcode. Dit geldt dus ook voor bijvoorbeeld sociale wijkteams.

Programma ‘Aandacht voor iedereen’

Het programma ‘Aandacht voor iedereen’ wordt gefinancierd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De bij het programma betrokken landelijke organisaties zijn: CG-Raad, CSO, Koepel Wmo-raden, LPGGz, Mezzo, NPCF, Per Saldo, Platform VG, VCP, Viziris en Zorgbelang Nederland. Deze organisaties bundelen hun krachten omdat de ontwikkelingen die op het lokale speelveld afkomen zo ingrijpend zijn, dat samen optrekken rond de decentralisaties noodzakelijk is.

Op de website van Aandacht voor iedereen vindt u ook een uitgebreide toelichting Wmo 2015 (doc), met voetnoten en verwijzingen.

Budgetverdeling persoonlijke verzorging: Wmo en Zorgverzekeringswet

Sinds 1 januari 2015 is alle verpleging en bijna alle verzorging onder de Zvw gebracht. De zorg blijft hiermee betaalbaar en in combinatie met de ondersteuning vanuit de Wmo kunnen mensen zo lang mogelijk thuis blijven wonen.

Hierbij wordt verzorging verdeeld over de twee wetten: samenhangend met begeleiding valt dan onder Wmo en verpleging onder de Zvw. Er is gebleken dat 95% van het budget persoonlijke verzorging wordt gebruikt door mensen met de grondslagen lichamelijke handicap (LG), somatische aandoening/beperking (SOM) en psychogeriatrische handicap (PG). Deze groepen maken daarnaast ook veel gebruik van verpleging en daarom is besloten om dit samen onder de Zvw te brengen.

Het overige budget voor persoonlijke verzorging wordt met name gebruikt door mensen met een verstandelijke handicap (VG), zintuiglijke handicap (ZG) en psychiatrische aandoening/ beperking (PSY). Deze groepen mensen maken weinig gebruik van verpleging en relatief veel gebruik van individuele en/of groepsbegeleiding. Deze 5% van het totale budget voor persoonlijke verzorging is onder de Wmo gebracht. Dit zal in de praktijk echter nauwelijks voorkomen. Zodra er verpleging en/of verzorging nodig is vanuit deze doelgroepen zal dit vallen onder de wijkverpleging aanspraak.

In onderstaande figuur is duidelijk te zien waar persoonlijke verzorging onder valt.

 

Reacties

Appartementen gebouw met vve, een bewoner heeft moeite een deur te openen.
voorheen werd er een elektrische deurdrager geplaatst. op kosten van de WMO.
Nu wordt door de gemeente gezegd ,de kosten zijn voor de vve?.
Moeten wij ,die toch al zoveel kosten hebben nu gaan betalen voor onze buren.
Wij moeten hier toch al veel steun geven aan de ouderen en doen dat.
Waar gaan we heen, verhuizen, weer naar een eensgezinswoning,kosten nog hoger.
Of gaan de bewoners bij hun kinderen in?.
Ik kan geen engels.

Ik had een vraag aan u.
Een echtpaar waarvan de vrouw onlangs van de trap is gevallen (78) en twee tenen brak,en de man (84) al enkele jaren hartpatiënt zijn nu angstig om trap te lopen Vragen tijdelijke uitbreiding van huishoudelijk hulp wat wordt toegekend. Het echtpaar woont al ruim 50 jaar en een vrijstaand huisje hebben enkele jaren geleden boven een douche en toilet laten aanleggen. zij vragen nu om mogelijk in aanmerking te komen voor een traplift of zo mogelijk een ondersteuning hier voor.
Voor de gemeente medewerker is het onduidelijk of er een indicatie is voor een traplift.
Even later in die zelfde brief stelt men, gezien de beperkingen aan hart en uithoudingsvermogen is het al meerdere jaren te verwachten dat traplopen moeizamer zou worden. Dit had het echtpaar kunnen voorzien en maatregelen kunnen treffen zoals geld sparen en reserveren voor een traplift.
Voorheen werd een aanvraag voor een traplift.
Mijn vraag is of deze manier van optreden niet reeds vooruitlopen is op een nieuwe wet die nog moet worden goedgekeurd en dan pas in 2015 zal ingaan.

Sparen konden wij ook zei de gemeente, maar mijn vraag/ is dan SPAREN WAARVAN.

antwoord is de gemeente nog steeds aan ons schuldig.

Reageer op dit artikel

2 + 7 =
Los deze eenvoudige rekenoefening op en voer het resultaat in. Bijvoorbeeld: voor 1+3, voer 4 in.