Zonder je eigen yoga-juf gaat het niet…

en andere lessen uit de coronacrisis

13 november 2020

Wat leert de coronacrisis ons als we projecten tegen het licht houden? Movisie en Platform31 analyseerden 16 projecten: 7 praktijksituaties uit ‘Wij in de wijk’ van Movisie en 9 initiatieven uit ‘De kracht van het gewone’ van Platform31. Lees hier de 8 lessen.

1. Fysieke ontmoetingen zijn onmisbaar

Fysieke ontmoetingen blijven onmisbaar voor contact. Deze les uit ‘Wij in de wijk’ wordt keer op keer bevestigd. Er zijn groepen die je met online communicatie niet kan bereiken. De Nationale Ombudsman wees eerder op de risico’s van vergaande digitalisering. Nederland telt ongeveer 2,5 miljoen laaggeletterden van 16 jaar en ouder. Grote aantallen Nederlanders bezitten weinig computervaardigheden. Om die reden zijn tijdens corona bij buurtinitiatieven telefooncentrales of belcirkels ingericht, zodat mensen met elkaar kunnen bellen. Buurtbewoners zijn ook thuis opgezocht. Zo nodig werden balkongesprekken gevoerd en gingen initiatiefnemers de straat op met borden waarop stond: ‘Hoe gaat het met u?’

Het begint allemaal met de vraag: hoe gaat het met je?

We leren dat ook de fysieke ontmoetingsplaatsen cruciaal zijn. Het buurthuis was dicht, zo ook het café, het dagactiviteitencentrum, de sportclub, de kerk, de moskee en alle scholen. We ontdekten het belang van buitenruimten: parkjes, pleintjes, plantsoenen, trapveldjes, speelplaatsen, buurttuinen en stoepen. Het liefst nabij, toegankelijk, zonder drempels. In coronatijd zijn we massaal aan de wandel gegaan. Het buurtommetje is ontdekt, er werden activiteiten als de plantsoenbingo georganiseerd. Vrijwilligers ontpopten zich als wandelmaatjes en zo kwamen we toch face-to-face met elkaar in contact. Buiten werd het nieuwe binnen. Maar nu de herfst aanbreekt, weten we dat investeringen in kleinschalige, nabije ontmoetingsplaatsen voor gezelligheid, activiteiten en contact ontzettend belangrijk zijn.

2. Online ontmoetingen blijken heel belangrijk

De coronacrisis heeft een enorme impuls gegeven aan de online communicatie. We zien het terug in het onderwijs, de zorg en de hulpverlening, maar ook in onze projecten. Voor veel jongeren is de onlinewereld hun natuurlijke biotoop, maar ouderen hebben hier grote inhaalslagen gemaakt. Bovendien blijkt online communicatie een enorme emancipatoire kracht voor mensen met een beperking: lichamelijk, verstandelijk, auditief. Bovendien: tijdens de coronacrisis was online vaak het praktische punt waar hulpvragen werden verzameld en hulptroepen zich konden melden. Facebook werd benut, besloten chatgroepen zijn ingericht. Mensen spraken elkaar in chatgroepen moed in, sleepten elkaar door de quarantaine en lockdown, maar wisselden ook recepten uit. We hebben offline contacten zich online zien verdiepen, maar ook het omgekeerde: sommige mensen
kwamen op Facebook meer los dan in een fysieke groep.

3. De belangrijkste vraag blijft: hoe gaat het met je?

‘Hoe gaat het met je?’ is misschien wel de belangrijkste vraag in de sociale basis, zeker in coronatijd waarin veel mensen zich eenzaam en geïsoleerd voelen. Door met die vraag te beginnen, maak je contact. Je geeft de regie over het gesprek uit handen aan de ander. En het belangrijkste: je laat hem of haar als eerste aan het woord. In veel van de projecten die we analyseerden, is deze beginvraag gesteld. Vervolgens is het de opgave om daar als sociale basis adequaat bij aan te sluiten. De coronacrisis laat zien dat we snel en efficiënt zaken kunnen regelen, maar met deze ogenschijnlijk simpele vraag begint ons werk.

4. Zonder de eigen yoga-juf gaat het niet

In coronatijd werd de grote rol van vertrouwde professionals duidelijk, mensen waar je een relatie mee opbouwt. Yogalessen via de publieke omroep? Het is maar de vraag of veel mensen hadden meegedaan als dit was georganiseerd. We zien dat ouderen tijdens de lockdown de lessen volgden die hun eigen yogadocent online had gezet. Met na afloop een babbeltje met hun docent en hun klasgenoten in een online omgeving waar je elkaar kent: ‘Where everybody knows your name’.

5. Het belang van lichtheid, vrijblijvendheid en plezier

De projecten leren ons dat we ervoor moeten waken buurtinitiatieven te verzwaren met grote woorden als sociale cohesie, empowerment en het versterken van lokale democratie. Zeker in de communicatie met buurtbewoners schrikt dat af. Buurtbewoners zijn bereid actief te worden in buurtinitiatieven, maar wel als ze een zekere vrijblijvendheid voelen. We willen, moeten en eisen vaak veel van hen in onze buurtprojecten. Het alleenstaande-moederproject had baat bij een dagje naar een pretpark met de kinderen erbij. Zo leerden ze elkaar kennen, het gaf energie en serieuze gespreksonderwerpen kwamen die dag bijna vanzelf aan de orde. De les: het realiseren van welzijnsdoelstellingen is een bijproduct van plezierige activiteiten. We moeten de kunst van het creëren van aanleidingen beter in de vingers krijgen.

6. De sociale basis is gebaat bij ‘animateurs’

Het belang van lichtheid, vrijblijvendheid en plezier geldt zeker bij al die initiatieven die gericht zijn op het stimuleren van overbruggende contacten tussen verschillende groepen buurtbewoners. We leerden vorig jaar al bij de eerste Wij in de wijk-projecten dat lichte contacten – een groet, een praatje, een eerste blik van herkenning – serieus genomen moeten worden. Ze kunnen het  startpunt zijn van verder contact en heel belangrijk: het minder anoniem maken van de eigen woonomgeving. Maar om deze contacten te stimuleren, hebben we een infrastructuur van uitnodigende plekken nodig, binnen en buiten. Plus wat in Frankrijk in het buurtwerk ‘animateurs’ wordt genoemd: methodisch onderlegde professionals die bijvangsten weten te organiseren met plezierige activiteiten in plaats van met loodzware vergaderschema’s.

7. De ogen en oren van de sociale basis zijn onmisbaar

De oren en ogen, de antennes van de sociale basis, blijken onmisbaar. De buurtwerkers weten waar de eenzame weduwnaar woont en waar de autistische jongen zijn dagen vult met gamen. Tijdens corona zorgden ze ervoor dat laptops voor thuisonderwijs en voedselpakketten bij de juiste personen terechtkwamen en dat geïsoleerde buurtbewoners werden opgezocht. Hun informatie gaf gemeenten inzicht in hulpvragen. Hebben ze de mensen bereikt die onze hulp het meest nodig hadden? Dat is moeilijk te bewijzen, maar buurtorganisaties hebben wel de lokale solidariteit georganiseerd en als intermediair gefungeerd tussen gemobiliseerde hulptroepen en hulpvragen van bewoners. Ze bezochten ook als eerste hun ‘vaste klanten’. We leerden dat die autistische jongen ook in de toekomst zich niet gemakkelijk uit zichzelf in online- of offline-situaties zal begeven. Daar heeft hij iemand bij nodig. Een sociale basis-organisatie kan daarin bemiddelen.

8. Geef de sociale basis de ruimte en versnel de bureaucratie

We stonden ervan versteld hoe snel het Rijk en de gemeenten financiële ondersteuning boden aan zzp’ers en ondernemers. De bureaucratie bleek te kunnen versnellen. Op sociaal gebied zagen we hetzelfde. De gemeente als opdrachtgever gaf organisaties in de sociale basis ruimte voor eigen initiatief. Vertragende bureaucratische besluitvorming viel weg. Mondelinge afspraken waren vaak voldoende, want snel handelen was geboden. Met de opdracht ‘organiseer iets voor kwetsbare kinderen thuis’ gingen organisaties in de sociale basis meteen aan de slag. Betrokkenen in de uitvoering bleken met deze ruimte professioneel om te kunnen gaan. Deze vorm van gemeentelijk opdrachtgeverschap is de moeite waard om straks niet direct weer te verlaten. Mogelijk kan meteen ook de gangbare tijdrovende en vaak gedetailleerde  verantwoordingssystematiek versimpeld worden. De initiatiefnemers die Platform31 sprak, zijn niet bang voor de verantwoording aan het einde van het jaar. Ze verwachten door het verkregen vertrouwen en de opgebouwde werkrelaties geen moeilijke evaluatiegesprekken. Een beschrijving van hun inspanningen, aangevuld met relevante data en buurtverhalen, kan volstaan.