Zorg- en welzijnsorganisaties worstelen met vrijwillige verantwoordelijkheid

artikel - 20 maart 2014
Afbeelding bij Zorg- en welzijnsorganisaties worstelen met vrijwillige verantwoordelijkheid

Lokale overheid, welzijns- en zorgorganisaties hebben hooggespannen verwachtingen van de vrijwillige inzet van burgers. Op zorg en welzijn wordt enorm bezuinigd, waardoor veel beroepskrachten hun baan verliezen. De verantwoordelijkheid voor zorg en ondersteuning wordt in eerste instantie (weer) bij medeburgers gelegd. Wat betekent de taakverschuiving van betaalde krachten naar vrijwilligers voor de kwaliteit van de dienstverlening in deze sector? Deze vraag stond centraal in het onderzoek ‘Kunnen we dat niet aan vrijwilligers overlaten?’.

In het onderzoek komt een drietal modellen van verantwoordelijkheid voor publieke dienstverlening naar voren:

  • Vrijwillige verantwoordelijkheid, met hooggekwalificeerde en zelfstandige vrijwilligers
  • Gedeelde verantwoordelijkheid, waarbij betaalde krachten en vrijwilligers heldere afspraken maken en de betaalde krachten zich vooral faciliterend opstellen.
  • Professionele verantwoordelijkheid, waarbij vrijwilligers nodig zijn die niet te hoge eisen stellen.

De informatie uit het onderzoek van de UvA is niet nieuw. Het onderscheid in verantwoordelijkheid is vergelijkbaar met de driedeling uit het 'Basisboek vrijwilligersmanagement werven sturen en motiveren' (2009):

  • vrijwilligergestuurde organisaties waar vrijwilligers/leden zowel eigenaar, als beleidsbepaler als uitvoerder zijn.
  • vrijwilligerondersteunde organisaties, waar vrijwilligers aanvullend zijn op de beroepskrachten.
  • diverse hybride organisatievormen waar betaalde krachten met vrijwilligers samenwerken 

Supervrijwilligers

Beleidsmakers lijken te hopen dat gedeelde verantwoordelijkheid op den duur zal leiden tot vrijwillige verantwoordelijkheid. Dit is volgens de onderzoekers echter niet per definitie het geval. Vrijwillige verantwoordelijkheid vraagt de inzet van een aantal zogenaamde supervrijwilligers. Die zijn niet overal voor handen. Sterker nog, er zijn juist steeds meer mensen die zich alleen kortdurend vrijwillig willen inzetten en flexibiliteit erg belangrijk vinden.

Verantwoordelijkheid vanuit passie

De roep op vrijwillige verantwoordelijkheid lijkt dus niet erg realistisch. Of toch wel? Er zijn voorbeel-den te over van organisaties die volledig en met succes draaien op vrijwilligers. Dat is geen nieuw gegeven. Deze organisaties zijn er meestal al vele jaren. Denk bijvoorbeeld aan sportverenigingen of kunst- en cultuurstichtingen die met succes en op een duurzame manier activiteiten ondernemen met vrijwilligers. Zij pakken dienstverlening op die door de jaren heen steeds verder geprofessionaliseerd is, zoals de kinderopvang door sportorganisaties. Niet vanuit een bezuinigingsmaatregel of een van buiten opgelegde noodzaak, maar vanuit een intrinsieke motivatie. Vanuit passie en betrokkenheid nemen zij verantwoordelijkheid voor een publieke zaak.

Uit het onderzoek van de UvA blijkt dat de mate waarin vrijwillige verantwoordelijkheid wordt genomen nogal tegenvalt. Hoe kan dat? Waarom lukt het in cultuur-, sport- en natuurorganisaties wel om met vrijwillige verantwoordelijkheid diensten van kwaliteit te bieden, maar instellingen in zorg en welzijn niet?

Top-down

Het is niet ondenkbaar dat dat te maken heeft met het top-down karakter van de taakverschuivingen tussen beroepskrachten en vrijwilligers. Veel mensen zijn verontwaardigd over de nogal dwingende boodschap dat zij meer zelf moeten gaan doen en dat steeds meer betaalde krachten hun baan verliezen. Dat werkt het nemen van verantwoordelijkheid niet in de hand. Vrijwillige verantwoordelijkheid kan nu eenmaal niet worden afgedwongen en is afhankelijk van de urgentie die mensen voelen om dit als vrijwilliger op te pakken. Als het ook door betaalde krachten gedaan kan worden, is die urgentie minder groot. Tegelijkertijd werkt de angst voor mindere kwaliteit van de zorg en ondersteuning verlammend: vrijwilligers die verantwoordelijkheid willen nemen krijgen daarvoor niet de ruimte en haken af.

Verantwoordelijkheid organiseren

Zorg- en welzijnsorganisaties die met vrijwilligers werken kunnen dus nog het één en ander leren van hoe in andere sectoren vrijwilligers wel een organisatie zelfstandig willen en kunnen runnen. En ook hoe wordt omgegaan met verantwoordelijkheden tussen vrijwilligers en beroepskrachten. In het project van het Verwey Jonker instituut 'Leren van Elkaar in sport, welzijn en zorg' (2011) is uitgebreid gekeken naar wat zorg-, welzijn- en sportorganisaties van elkaar kunnen leren op werving en behoud van vrijwilligers.

Uit dat onderzoek komt naar voren dat dat leren van elkaar maar mondjesmaat gebeurt. Tegelijkertijd wordt in de kenmerken van de verschillende sectoren op een ander onderscheid gewezen: de ledenorganisaties en dienstverlenende organisaties. Sportorganisaties worden gekenmerkt als ledenorganisatie en de zorg- en welzijnsorganisaties als dienstverleners. Hiermee wordt gerefereerd aan de driedeling van Handy (1988): mutual support organisations (zelforganisaties), service delivery organisation (organisaties gericht op dienstverlening aan een andere groep) en campaigning organisation (belangen- of actiegroepen).

Ledenorganisaties lukt het wel

Met name de ledenorganisaties (verenigingen) lukt het doorgaans wel om vrijwillige verantwoordelijkheid te organiseren. Dienstverlenende organisaties zijn beter in staat een model van professionele verantwoordelijkheid te organiseren. Dat heeft waarschijnlijk te maken met het lidmaatschap dat binnen ledenorganisaties bestaat en waardoor een groter mede-eigenaarschap ontstaat. Dienstverlenende organisaties zijn veel minder gericht op de interne huishouding en veel meer op de dienstverlening zelf. Dat verschil verklaart misschien een deel, maar zeker niet alles. Daarvoor is zeker meer onderzoek nodig.

Lees meer over het onderzoek ‘Kunnen we dat niet aan vrijwilligers overlaten?

Reacties

Reageer op dit artikel

8 + 2 =
Los deze eenvoudige rekenoefening op en voer het resultaat in. Bijvoorbeeld: voor 1+3, voer 4 in.