Zorgen dat mensen om hulp durven vragen in de buurt

(Ervarings)deskundigen aan het woord

11 november 2014

Meer vrijwilligerswerk, meer mantelzorg, meer vriendendiensten en meer burenhulp. In de participatiemaatschappij wordt veel verwacht van informele zorg en ondersteuning. Hoe komt informele zorg tussen buurtbewoners tot stand? Kun je het stimuleren? Vier professionals aan het woord.

Karin van der Plas, initiatiefnemer Naoberzorg in Roggel

In 2010 ging het project Naoberzorg van start in Roggel, een kerkdorp met een kleine vijfduizend inwoners in de Limburgse gemeente Leudal. Mede-initiatiefnemers Karin van der Plas en huisarts Suzanne Hundscheid willen de onderlinge informele ondersteuning laten floreren. De grote hoeveelheid niet-medische vragen was voor de huisarts de aanleiding.

Hoe creëer je een sfeer waarin mensen om ondersteuning durven te vragen, en die durven te ontvangen?

Bij het stimuleren van ontmoetingen en het matchen van vraag en aanbod, is het van belang om te beseffen dat veel mensen moeite hebben met het vragen om hulp. Mensen stellen zich niet graag kwetsbaar op; ze vinden dat ze het zelf moeten rooien. Van der Plas kende bijvoorbeeld een jong stel dat grote moeite had om werk te combineren met de zorg voor hun kind; kinderopvang was voor hen onbetaalbaar. ‘Dat veel ouderen uit de buurt met liefde op hun kind zouden passen, kwam niet in hen op.’

Hoe maak je mensen bewust van het belang en de mogelijkheid van onderlinge hulp? Hoe creëer je een sfeer waarin mensen om ondersteuning durven te vragen, en die durven te ontvangen?

Met veel lef en geduld zet Naoberzorg (zo’n 25 vrijwilligers, ondersteund door betrokken dorpsbewoners, de lokale supermarkt, de pastoor en een basisschool) kleine, concrete stappen. Zoals de fraai vormgegeven wenskaart waarop de afzender het voornemen schrijft iets te doen voor een ontvanger. Wanneer deze de dienst heeft ontvangen, stuurt diegene op zijn beurt ook een wenskaart met een goed voornemen. ‘Je kunt liefde niet afdwingen, maar wel stimuleren,’ zegt Van der Plas.

De verhouding tussen overheid en burger is sterk in beweging. Op allerlei terreinen moeten burgers meer het heft in eigen hand nemen. In drie artikelen geven (ervarings)deskundigen antwoorden op vragen uit de praktijk:

Bij ieder artikel is een download gemaakt met een overzicht van relevant onderzoek. Bekijk de download Buurthulp voor dit artikel.

Wilco Kruijswijk, projectleider sociale zorg bij Movisie

‘Vraagverlegenheid’ is inmiddels een bekende term in de wereld van zorg en welzijn. Maar een vraag hoeft niet uitgesproken te worden om te bestaan, zegt Wilco Kruijswijk, co-auteur van het nieuwe handboek Bouwen aan Buurthulp. ‘Als iemand op de brug staat om te springen, is zijn roep om hulp duidelijk zonder dat hij iets zegt.’ Een tweede nuancering: niet vragen om hulp kan ook een teken van vitaliteit zijn. ‘Iemand die niet veel kan tillen en twee keer naar de winkel loopt, wil misschien zijn autonomie bewaren. Prima toch? Het wordt pas een probleem als iemand het zelf ervaart als een probleem.’ Volgens Kruijswijk zijn taal en toon belangrijk bij het aanspreken van buurtbewoners. Communiceer je: bent u eenzaam, dan komen wij u helpen? Of: we gaan wat leuks doen, fijn als u ook komt? ‘Het werkt beter om mensen aan te spreken op hun kracht en hen de mogelijkheid te geven iets terug te doen.’ Een geslaagd voorbeeld vindt hij de buurtwerkplaats Noorderhof in Amsterdam Nieuw West waarvan alle bezoekers samen uitbater zijn. Iedereen kan naar eigen inzicht bijdragen aan de werkplaats: koken, klussen, activiteiten organiseren.

‘Gezelligheid mag bestaan,’ zegt Kruijswijk ook. ‘Het draait er bovenal om dat mensen elkaar ontmoeten, dat het jonge stel in aanraking komt met ouderen die op hun kinderen kunnen passen, dat zij zelf kunnen inschatten of ze iemand vertrouwen of niet.’

Volgens Kruijswijk is er een grens aan wat een buurt kan betekenen. Zodra hulp intiem wordt (privé-administratie of persoonlijke verzorging) of te zwaar (langdurige zorg) zijn relatief onbekende buren niet de aangewezenen om een beroep op te doen. ‘Dat is altijd zo geweest.’

Riet Hammen, gepromoveerd op niet-familiale zorgsolidariteit en projectleider bij Zorgruil Brabant

Ook Riet Hammen benadrukt het belang van wederkerigheid: wie iets vraagt moet iets terug kunnen geven. Een wederdienst maakt het stellen van een vraag gemakkelijker, omdat het de relatie sociaal-psychologisch evenwichtiger maakt. ‘Uit verscheidene onderzoeken is gebleken dat niemand graag in het krijt wil staan,’ zegt Hammen.

Volgens Hammen zal toevallige, incidentele hulp van buurtbewoners ontoereikend zijn in een vergrijzende samenleving, met een terugtredende overheid. De informele zorg zal daarom georganiseerd moeten worden. Bijvoorbeeld door middel van systemen van honorering en uitwisseling van diensten, waarover Hammen nadenkt.

We willen juist zorg genereren tussen mensen zonder bestaande relatie.

‘Bij mensen die elkaar al langer kennen, werkt beloning verstorend omdat de aard van de bestaande relatie verandert. Maar we willen juist zorg genereren tussen mensen zonder bestaande relatie.’

Uit een explorerend onderzoek dat Hammen heeft laten doen door studenten van de Avans Hogeschool bleken mensen door een beloning over de streep te kunnen worden getrokken. ‘Zij zijn dan bereid te gaan helpen. Mannen bleken overigens meer door een beloning te worden aangesproken dan vrouwen. En ook jongere generaties zijn meer ingesteld op het principe van ‘voor wat, hoort wat’.

Er zijn al match-systemen actief voor hulp in een buurt of regio. Zo’n systeem stemt vraag en aanbod op elkaar af. Een vrager hoeft zo niet rechtstreeks iets terug te geven aan een helper. Hij kan dat te zijner tijd aan een ander doen. ‘Helaas denken mensen soms niets te kunnen geven, waardoor ze ook niet durven te vragen. Maar iedereen kan wat doen. Zelfs als je langdurig aan bed bent gebonden, kun je bellen met iemand die zich eenzaam voelt.’

Een van de draaiende systemen is wehelpen.nl, waar een helper punten (credits) kan verdienen door bijvoorbeeld iemand naar het ziekenhuis te brengen, een rolstoelwandeling te maken of boodschappen te doen. Die punten kan hij als betaalmiddel inzetten als hij zelf hulp nodig heeft, maar dit is geen verplichting.

‘Het is wat rationeel allemaal,’ zegt Hammen. ‘Het is meer een uitwisseling van diensten dan hulp als ‘naoberschap’ zoals we gewend waren. Maar de behoefte aan zorg wordt te groot om aan het toeval over te laten.’

Otto Geijer, beleidsadviseur Wonen & Samenleven, gemeente Breda

Het probleem van vraagverlegenheid speelt niet alleen bij mensen die zelf ondersteuning nodig hebben, maar ook bij mantelzorgers. Veel mantelzorgers zijn overbelast, zonder te weten dat ze gebruik kunnen maken van mantelzorgondersteuning in de vorm van advies, een luisterend oor of praktische hulp. ‘Bij iedere WMO-aanvraag (Wet maatschappelijke ondersteuning) vragen wij voortaan of de eventuele mantelzorger aanwezig is bij het keukentafelgesprek, zodat we kunnen bekijken of ondersteuning gewenst is,’ zegt Otto Geijer.

Door het overhevelen van zorgtaken van het rijk naar gemeenten, de zogenaamde decentralisaties, verkeren gemeenten in een fase van zoeken en experimenteren, meent Geijer. Breda bewandelt verschillende wegen om de vraagverlegenheid terug te dringen. Zo adopteerde de gemeente het platform Zorgvoorelkaar.com, dat werkt in de geest van Riet Hammen. Het is een e-matchingssysteem waarop mensen een hulpvraag kunnen posten waarop vrijwilligers en organisaties in de buurt kunnen reageren. ’Misschien stellen mensen digitaal makkelijker een vraag dan in het echt,’ zegt Geijer. ‘In elk geval draait het na een halfjaar heel goed.’ In de eerste zes maanden van 2014 melden ruim vijfhonderd mensen (hulpvragers en vrijwilligers) zich aan bij het netwerk. Naar schatting kwamen meer dan tweehonderd matches tot stand.

In het dorp Prinsenbeek kozen vrijwilligers van de Ouderenbond en de Dorpsraad voor een heel andere aanpak: zij legden huisbezoeken af bij 70-plussers. Een kwart van de bezochte mensen gaf aan eenzaam te zijn. Bij tien procent leidde het bezoek tot het aanbieden van zorg en ondersteuning. Geijer: ‘Hier ging het dus niet om wederkerigheid, maar gewoon om betrokkenheid.’

In een laagdrempelige omgeving worden hulpvragen makkelijker onderkend en kan de oplossing in de buurt worden gevonden.

Geijer kan nog niet zeggen wat beter werkt. ‘Dat is ook erg afhankelijk van de wijk. In Breda onderscheiden we vijftien gebieden met grofweg tienduizend inwoners. Elke wijk heeft zijn eigen kleur. Er zijn wijken waar inwoners elkaar goed kennen en al een sterk informeel hulpcircuit bestaat. Maar er zijn ook wijken waar de mensen meer 'achter de voordeur' leven. Daar moet je in je aanpak rekening mee houden.’

Ook Geijer gelooft in het belang van ‘de lichte ontmoeting’. In de wijk Princenhage hebben wijkbewoners met steun van de gemeente een voormalige welzijnsaccomodatie tot leven gewekt waar allerlei recreatieve activiteiten plaatsvinden zoals koken of knutselen. ‘In zo’n laagdrempelige omgeving worden hulpvragen makkelijker onderkend en kan de oplossing in de buurt worden gevonden.’