Erken elkaars deskundigheid en benut verschillen

De wijk is van oudsher het speelveld van de sociaal werker én de wijkverpleegkundige. Ze zijn geen onbekenden van elkaar; de meest kwetsbare bewoners in de wijk vragen om gezondheidszorg – geleverd door de wijkverpleegkundige – en welzijn – het domein van de sociaal werker.

De twee professionals treffen elkaar dan wel in de wijk; dat geldt niet voor (alle) beleidsmakers. Het zorgdomein en het sociale domein zijn gescheiden werelden met eigen financieringswijzen en wetten. De verwachtingen van de decentralisaties zijn dan ook hooggespannen: wijkteams zouden dé oplossing worden voor een integrale aanpak, zodat mensen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. Hoe pakt dat in de praktijk uit? Werken sociaal werkers en wijkverpleegkundigen integraal? En wat moet er nog gebeuren?

'Als het welzijnswerk en de wijkverpleegkundige elkaar vinden, kom je een heel eind.'

In het algemeen wordt aangenomen dat een integrale aanpak van zorg- en dienstverlening mensen echt verder helpt om hun kwaliteit van leven te bevorderen. Een succesfactor daarin is een goede interdisciplinaire samenwerking. Nieuw is die gedachte niet. Al in 1988 deed de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de oproep tot meer interdisciplinaire samenwerking voor een minder versplinterde en effectievere aanpak van complexe gezondheidsproblemen.

In 2010 constateerde zij dat vastgeroeste patronen, bestaande werkstructuren en werkregelingen het wonnen van de goede intenties om interdisciplinair samen te werken. Anno 2016 zijn veel sociaal werkers en wijkverpleegkundigen gedwongen samen te werken in de wijk. Movisie ging in gesprek met sociaal werkers uit wijkteams en schetst hun ervaringen vanuit vier hoofdvragen. Eén ding staat als een paal boven water: beleidsmakers en lijnmanagers die het integraal werken willen laten slagen, moeten verder lezen!

HOOFDVRAGEN

1. Hoe is de samenwerking georganiseerd?

2. Wordt er daadwerkelijk samengewerkt en op welke terreinen?

3. Wat is ieders inbreng en meerwaarde bij de samenwerking?

4. Wat werkt goed bij het samenwerken en welke knelpunten worden ervaren?
 

1. Hoe is de samenwerking georganiseerd?

Hoewel de verantwoordelijkheid voor ondersteuning in theorie bij gemeenten en zorgverzekeraars ligt, blijkt in de praktijk dat het vaak de sociaal werkers en wijkverpleegkundigen zijn die de schotten moeten slechten. De plek van de wijkverpleegkundige ten opzichte van het wijkteam wordt per gemeente bepaald en kan dus ook per gemeente verschillen.

Met de stelselwijziging en decentralisaties van 2015 kregen gemeenten en zorgverzekeraars de verantwoordelijkheid voor de ondersteuning van inwoners in de wijk. De gemeenten vanuit de sociale invalshoek, de zorgverzekeraars vanuit de medische en verzorgende invalshoek. Beide actoren worden geacht de zorg en ondersteuning zo te organiseren dat mensen in staat zijn om langer thuis te wonen. In theorie een mooi verhaal. In de praktijk zijn het de sociaal werkers en wijkverpleegkundigen die steeds meer op elkaar aangewezen zijn en de kloof moeten overbruggen.

Praktijkvoorbeelden

Het sociaal team in IJsselstein lost dit op door periodiek overleg met een wijkverpleegkundige. Een sociaal dorpsteam op de Utrechtse Heuvelrug kijkt samen met een wijkverpleegkundige naar inzet van mensen en middelen bij een cliënt. Breed samengestelde wijkteams zorgen voor de juiste hulp door gezamenlijk op te trekken en de regie te verdelen.

'Als de wijkverpleegkundige een vraag heeft op sociaal gebied vraagt ze iemand van het sociaal team mee op huisbezoek. Dan bepalen we waar de zwaarte ligt en wie de regie gaat voeren. Zij voert de regie als de zwaarte op het medische vlak ligt, een sociale vraag kan door het sociaal team worden opgepakt. De wijkverpleegkundige voert geen regie op het sociale domein.'

Veel gemeenten maakten sinds de invoering van wijkteams afspraken met zorgaanbieders en welzijnsorganisaties over de samenwerkingsvorm. Uit recent onderzoek van Movisie blijkt dat 87% van de gemeenten een (vorm van een) sociaal (wijk)team heeft. En in 58% van die gemeenten behoort een wijkverpleegkundigen tot het team. Dat is hoopvol nieuws. Want samenwerking komt het beste uit de verf als men een team met elkaar vormt, aldus de sociaal werkers.

'In Ieder wijkteam zit een wijkverpleegkundige met S1 taken (een wijkverpleegkundige met activiteiten die vallen onder wijkgericht werken die niet direct zijn te koppelen aan een individueel zorgtraject van een patiënt, red.) Zij is aanwezig bij vergaderingen van het wijkteam en draait gewoon mee in de vragen voor het wijkteam.'

Voordelen van een integraal team

De voordelen zijn eindeloos: korte lijnen, men stemt eenvoudiger en eerder af over de aanpak, er wordt samen opgetrokken bij het voeren van keukentafelgesprekken, casusoverleg en de ondersteuning van cliënten. Er is meer zicht op elkaars deskundigheid, wie in een casus actief zijn en de afspraken over wie de regie neemt zijn sneller gemaakt.

'Bij ons zit de wijkverpleegkundige in het wijkteam als generalist. Ze mogen niet indiceren. Dat is wel jammer, het zou wel praktisch zijn. De onze is een echte aanpakker. We plannen haar bijvoorbeeld in bij een terminale patiënt. Daarvoor heeft zij toch specialistische kennis in huis. Ook werken we in een hospice, dus dan is haar expertise en netwerk helemaal wenselijk. De s2 taken (verpleegkundige taken direct gekoppeld aan individuele zorgtrajecten. red.) zijn niet belegd in het wijkteam. Als er een persoon binnenkomt waarbij inzet van de wijkverpleegkundige gewenst is, dan overleggen we met de bewoner en dan kan ze eventueel meekomen bij een huisbezoek. Het verzoek voor samenwerking kan zowel vanuit ons, de bewoner als uit een organisatie als Vitras komen.'

Wanneer de wijkverpleegkundige geen deel uitmaakt van het sociale wijkteam, verloopt de afstemming via individuele contacten of met een externe schil met wijkverpleegkundigen. Dan zijn de wijkverpleegkundigen minder direct betrokken bij vraagverheldering en de ondersteuning vanuit het wijkteam. Soms wordt dan dubbel werk gedaan, bijvoorbeeld in het bevragen van de inwoner.

'Wijkverpleegkundigen zitten niet in het buurtteam. Er is wel nauwe samenwerking. Collega’s die maatwerkvoorzieningen doen werken met wijkverpleegkundigen samen. Zij worden gevraagd bij keukentafelgesprekken. Wijkverpleging en het buurtteam weten elkaar goed te vinden. Behoeftebepaling voor zorg vindt vaak plaats op indicatie van een huisarts, buren of via een ziekenhuis of buurtteam.'

4 manieren van samenwerking

Streven is om zorg en voorzieningen aan te boren die passen bij de problemen op verschillende levensgebieden van inwoners. Schuurt het tussen welzijnsorganisaties en zorgaanbieders? Dan pakken professionals dit praktisch op: ze richten zich op welke zorg nodig is en welke verbindingen er al zijn. Vilans schetste vier manieren in de uitgave ‘Hoe werken wijkverpleegkundigen samen met het sociale domein?’. Voor sociaal werkers een herkenbare indeling.

2. Wordt er daadwerkelijk samengewerkt en op welk domein?

Door de vraag centraal te stellen wat de burger nodig heeft, op diverse gebieden, wordt domein overschrijdend gewerkt. En dat is nou net de bedoeling van integraal werken. Samenwerking blijkt vooral relevant wanneer er een casus is met multi-problematiek, waarbij overlap is in de hulp of diverse expertise nodig is. En juist in de verschillen binnen het wijkteam schuilt de meerwaarde.

Integrale ondersteuning en zorg gericht op alle levensdomeinen van mensen, kan moeilijk door één professional geboden worden. Daarom functioneren in de wijk drie generalisten in de basiszorg: huisartsenzorg, wijkverpleegkundige zorg en maatschappelijke ondersteuning (sociaal werkers). De regierol ligt in de regel bij de professional wiens aandeel in de ondersteuning het grootst is. Dat neemt niet weg dat de professionals verbinding maken tussen de twee domeinen. Zowel sociaal werkers als wijkverpleegkundigen zijn steeds meer gericht op de mens als geheel en het bevorderen van welbevinden samen met familie en de buurt.

'Met elkaar, met het gezin bepaal je wie de coördinatie doet. Je bekijkt wat de hulpvraag is. We hadden een situatie met een jonge mantelzorger. De wijkverpleegkundige ging mee en constateerde dat moeder stervende was. Zij heeft de stervensbegeleiding opgepakt en ik begeleidde de dochter. De casushouder is een van ons twee. Dit doen we in overleg. Kan ook zijn dat de huisarts het gezin in de gaten houdt. Er wordt gekeken naar het vakgebied dat nodig is.'

Verschillen in expertise = rijkdom

Machteld Huber formuleerde een nieuwe definitie voor gezondheid: “Het vermogen om je aan te passen en je eigen regie te voeren, in het licht van de sociale, fysieke en emotionele uitdagingen van het leven.” Zowel sociaal werkers als wijkverpleegkundigen zijn gericht op het losmaken van dit vermogen, ieder vanuit eigen vakgebied. Dat betekent niet dat iedereen alles moet kunnen. In de wijkteams is veel expertise aanwezig, vanuit diverse disciplines. Juist in de verschillen schuilt de rijkdom. Om die verschillen ten volle te benutten, moet je deze wel kennen. Het vlindermodel schetst de traditionele werkterreinen van beide professionals:

Dit schema typeert hen in een aantal beroep specifieke kenmerken.

Gemeenschappelijk ontwikkelterrein: Collectieve en preventieve aanpak

Van oudsher ligt de expertise van sociaal werkers en wijkverpleegkundigen op verschillende terreinen, maar er is een steeds groter wordend gemeenschappelijk aandachtsgebied: het welzijn van mensen. En hier ligt een gemeenschappelijke uitdaging: het bevorderen van gezondheid en welzijn via een preventieve en collectieve aanpak. En laat dat net het gebied zijn dat achterblijft in wijkteams.

Uit het laatste onderzoek naar wijkteams (najaar 2015) blijkt dat wijkteams onvoldoende tijd hebben om:

  • Preventief te werken/vroegsignalering (38% van de gemeenten noemt dit)
  • collectieve voorzieningen in de wijk te ondersteunen en faciliteren (38%)
  • nuldelijnszorg te organiseren; informele netwerken, buurthulp (43%)
  • outreachend te werken (bereiken van zorgmijders) (46%)

De samenwerking van sociaal werkers en wijkverpleegkundigen blijkt zich vooral rondom het individu te voltrekken; in termen van het sociaal werk ‘het individuele social casework’. Community development en social groupwork komen niet goed uit de verf of worden buiten de sociale wijkteams georganiseerd.

'In de toekomst streven we naar meer preventieve activiteiten. op gebied van gezondheid. Team moet gaan signaleren om collectieve aanpak te bepalen. Hier moet tijd voor gecreëerd worden, geïnvesteerd worden om later profijt van te hebben.'

Voorkom verwarring

In beide domeinen wordt het begrip preventie/vroegsignalering verschillend ingevuld. De sociaal werker, zoals de opbouwwerker, benadert preventie en vroegsignalering vanuit samenlevingsopbouw, het versterken van communities, burgerinitiatieven en het bouwen van netwerken. De wijkverpleegkundige is vanuit het vak meer gericht op signalen van vaker voorkomende gezondheidsproblemen in een wijk, zoals overmatig alcoholgebruik bij ouderen. Zij heeft een rol bij vroegsignalering van welzijnsvraagstukken. Bij de wijkverpleegkundige is preventie en signalering gekleurd door het gezondheidsperspectief. In het sociaal domein denkt men meer welzijnsgericht en vanuit maatschappelijke steunsystemen. Dit daagt professionals uit om elkaar te vragen naar de betekenis van het begrip!

TIP

Beleidsmakers en lijnmanagers: zorg voor een goede belegging van de preventietaak en de samenlevingsopbouw

'De opbouwwerker doet mee aan de wijkteamvergadering. Als er signalen zijn uit de wijk die collectief kunnen worden opgepakt, dan worden daar snel plannen voor gemaakt. Een voorbeeld hiervan is het organiseren van fietsbussen en een café voor werklozen.'

3. Wat is ieders inbreng en meerwaarde bij de samenwerking?

We bekijken de meerwaarde en noodzaak van samenwerking aan de hand van een casus. Als er meerdere klachten op verschillende domeinen zijn, is het niet meer dan logisch dat de domeinen elkaars expertise benutten.

In elk gesprek blijkt dat de samenwerking sterk wordt ingegeven door twee factoren: elkaar kennen en andermans expertise waarderen. Dit gaat op voor een jarenlang opgebouwd netwerk, maar ook voor een goed functionerend wijkteam. Men leert elkaar in een wijkteam beter kennen en men kan vrij gebruik maken van elkaars expertise. Bovendien kan een sociaal wijkteam een voor wijkverpleegkundigen ‘oneigenlijke casus’ overnemen; een casus die wijkverpleegkundigen nu, vaak noodgedwongen blijven volgen maar die meer gebaat is met hulp uit het sociale domein.

'Met het hele sociale team hebben we vragen opgesteld voor het Gesprek. Deze helpen iedereen. Maar als wijkverpleegkundige heb ik niet alle kennis. Dan kun je iemand uit het team meenemen die er meer kennis van heeft. We zijn wel regisseur, maar weten ook niet alles. Fijn om elkaar te vragen wat je denkt van de casus. Zeker voor het tweede gesprek is het fijn om aan mijn collega van sociaal werk te vragen of zij nog specifieke vragen weet die ik zou kunnen stellen.'

Casus

Toos is 73 jaar oud. De maatschappelijker werker is ingeschakeld door een familielid omdat Toos haar boeltje niet meer bijhoudt en steeds verwarder wordt. In het contact met Toos krijgt zij niet goed hoogte van haar. Het is moeilijk om te bepalen wat Toos nodig heeft aan ondersteuning. Zij vraagt haar collega wijkverpleegkundige mee te gaan naar Toos. Samen pluizen ze met Toos diverse levensgebieden uit. De wijkverpleegkundige vermoedt dat Toos niet-aangeboren hersenletsel heeft en bezoekt haar met een deskundige. Zowel op medisch als psychisch vlak is er van alles met Toos aan de hand. Zij blijkt een hersenbloeding te hebben gehad in het verleden en dat wist ze niet. Daarna gaan beide professionals met hun netwerk de nodige ondersteuning regelen en kan Toos vooruit met haar leven thuis.

Benutten van expertise

De casus laat zien dat gezondheidsproblemen op zichzelf kunnen staan, maar dat er meerdere klachten op verschillende domeinen zijn. Zo kan het sociaal werk van meerwaarde zijn voor de zelfredzaamheid en kwaliteit van leven van mensen én bovendien ook zorgen voor het ontlasten van professionals in de eerstelijnsgezondheidszorg. Voor veel medewerkers in de eerstelijnsgezondheidszorg zijn de mogelijkheden die het informele circuit te bieden heeft via vrijwillige inzet een eyeopener.

'Wij kijken op een andere manier. Daarin kunnen wij makkelijker en vraaggerichter opereren dan de huisarts. Als medische oplossingen niet uit te voeren zijn omdat een inwoner dat niet wil, dan schakelt de wijkverpleegkundige het dorpsteam in. We voeren multidisciplinair overleg, casus-afhankelijk. We werken vanuit een gezondheidscentrum. Een huisarts kan dus ook het wijkteam inzetten. Onze link met de wijkverpleegkundige is wel het kortst, maar we hebben ook een lijntje met de huisarts. Dit hangt van de vraag af (dementie, depressie etc.).'

Andersom juichen sociaal werkers als ze de expertise kunnen benutten van de wijkverpleegkundige:

'De wijkverpleegkundige krijgt zoveel mee bij de cliënt thuis, daarom neemt ze veel nuttige informatie mee naar het wijkteam. Ze zijn gewend om direct te handelen in moeilijke situaties. Ze is in de hele wijk bekend en onderhoudt contact met artsen via overlegstructuren en, daarnaast vervult ze zoals beoogd ook medische taken.'

Movisie en Vilans geven tips wanneer verwijzing voor de hand ligt. In de publicatie ‘Medisch en sociaal verbonden’ richten Movisie en Langer thuis zich op wat goed werkt bij het verwijzen van eerstelijnszorg naar sociaal werk.

'Wanneer je een andere professional inschakelt is dat best lastig, zeker als je de opdracht hebt om ‘af te schalen’.'

Samenwerking en verwijzing ligt voor de hand bij drie vraagstukken:

  1. Vraagstukken op het fysieke vlak: bewegingsarmoede, verhoogd valrisico, ongezond eten, gewichtsverlies, hartkloppingen, nekklachten, buikpijn en hoofdpijn.
  2. Vraagstukken op het emotionele vlak: lichte depressieve klachten, stress, slaapproblemen, zingevingsproblematiek, teleurstelling, beperkte mate van eigen regie, rouw, verlies en overbelasting door bijvoorbeeld mantelzorg.
  3. Vraagstukken op het sociale vlak: eenzaamheid, behoefte aan sociale steun

4. Wat werkt goed bij het samenwerken en welke knelpunten worden ervaren?

Thuiszorgaanbieders prijzen de goede afstemming over cases met het sociaal domein als grootste voordeel van de samenwerking. Ze zien de samenwerking als meest effectieve aanpak voor signalering, behoeftebepaling en coördinatie. Als nadeel noemen ze de hoeveelheid tijd die de samenwerking kost, en de verwarring die de regierol oplevert voor anderen (zoals de huisarts). – 32 interviews door Vilans, in 2015

Er blijkt nog weinig onderzoek te zijn gedaan naar de effecten van interprofessionele samenwerking op bijvoorbeeld het welzijn van de cliënt (Glendinning, 2003). Bewijzen zijn er dus niet, voor de meerwaarde van interdisciplinaire samenwerking. Veel professionals die wij interviewden zijn tevreden over de samenwerking, maar we horen ook terug dat kaders beperkend kunnen zijn, bijvoorbeeld in de focus, opdracht of financieringsgrondslag. De verhalen geven een indruk wat goed werkt en wat ervaren wordt als belemmering.

Wat werkt goed bij samenwerken en verwijzen?

  • Professionals die vertrouwen hebben in elkaar en elkaars meerwaarde kennen. Dit moet opgebouwd worden en groeien in de tijd.
  • Gebruikmaken van een eenvoudige werkwijze.
  • Een aantrekkelijk aanbod van het sociaal werk waar naar verwezen kan worden.
  • Afstemmen en terugkoppelen over de verwijzing.

Lees meer over de gouden kansen van samenwerking tussen de eerstelijnszorg en het sociaal werk in de publicatie 'Medisch en sociaal verbonden'.

Integraal werken is:

1.         Samen tot een oplossing komen

'Je zit in hetzelfde team, je krijgt hetzelfde verhaal. Zo werken we sneller en komen eerder tot een oplossing. Omdat je samen in een team zit, ga je eerder samen naar een bewoner. De bewoner krijgt één plan.'

2.         Benutten van andere kennis en gesprekstechnieken

'Ik ging samen met de maatschappelijk werker op huisbezoek bij een terminale vrouw. De vragen die zij stelde maakten echt een verschil in dit geval. De man die haar verzorgde was zwaar belast. Daar hebben we verlichting in kunnen brengen. Uiteindelijk is er meer mantelzorg georganiseerd.'

3.         Een aanvullende blik in een casus

'We hebben echt een andere, aanvullende blik. Mijn specialiteit is samenlevingsopbouw, het opzetten en begeleiden van een buurtgroep, bv. bij renovatie woningen, onrust in de buurt. Dit moet je een wijkverpleegkundige niet vragen te doen. En ik moet geen spuiten zetten.'

4.         Betere afstemming

'Nu zijn er veel kortere lijnen. Je haalt makkelijker informatie bij elkaar en legt sneller contact. Na het teamoverleg hebben we altijd weer van alles besproken. Hebben we kennis gehaald bij elkaar.'

Maar wat kan frustreren, bij integraal werken, is:

1.         Afstemming zorg die tekort schiet

In een team waar geen verpleegkundige is opgenomen:

'Ik zou graag verbetering zien in de zorgmap waarin de verpleging rapporteert. Ook huishoudelijke zorg en mantelzorg rapporteren hierin. Door de enorme rapportage in de zorgmap is het soms moeilijk de juiste informatie snel terug te vinden.'

2.         Opvolging van afspraken laat op zich wachten

'Een sociaal werker kon het budget voor de pgb niet aanvragen omdat er eerst een indicatie van de wijkverpleegkundige moest komen, waarvoor de familie een formulier moest invullen. Vanwege een taalbarrière bleef het formulier drie weken liggen. Als ik niet gebeld had, had het formulier er nog gelegen. Ik moest de wijkverpleegkundige hierop aanspreken. Ik vroeg haar om te controleren hoe het ervoor stond en eventueel terugverwijzen naar het buurtteam voor begeleiding bij het invullen van het formulier.'

3.         Financiering werpt schotten op

'De wijkverpleegkundige in ons team wordt deels uit een andere pot gefinancierd waardoor haar deelname aan het sociaal wijkteam aan bepaalde kaders verbonden is. Ze mogen van de zorgaanbieder en verzekeraar alleen ingezet worden in casussen waar een gezondheidsvraag ligt. Het zou prettig zijn als de kaders wat losser konden worden. Nu moeten we ons houden aan een aantal regels en die zorgen er vaak voor dat de wijkverpleegkundige in een spagaat komt. Ze mag werk wat ze ziet liggen bij een cliënt waar ze over de vloer komt niet doen.'

4.         Verpleegkundige te druk met directe zorg

'De druk op de wijkverpleegkundige is groot. Ze is in toenemende mate bezig met zorg. Als ik nu bij klanten kom, merk ik dat ze steeds te laat komt. Ik pleit ervoor om de verpleegkundige met niveau 5 te sparen, zodat ze meer afstand kan nemen en zaken kan overzien. De financiering moet anders. De kracht van ons buurtteam is dat we buiten de gebaande paden kunnen denken en uit onze comfortzone kunnen komen. Dat brengt energie met zich mee. Ik zou het de wijkverpleegkundigen gunnen dat die spirit ook bij hun komt.'

Tot slot

Het meer integraal en interdisciplinair werken is een veranderopgave voor het medisch en sociaal domein. Het proces van specialisatie en professionalisering heeft gezorgd voor autonome, gekwalificeerde werkers die hun eigen vakgebied goed kennen, maar het vakgebied van andere, (aanpalende) disciplines veel minder. Professionals slaan een brug door samen op te werken en af te stemmen over de ondersteuning. Zo leren ze elkaars deskundigheid begrijpen, waarderen en inschakelen. Afstemming en coördinatie hangt wel sterk af van de goedwillendheid en het persoonlijke initiatief van de betrokken professionals.

Als beleidsmaker en manager kunt u het integraal werken tot volle glorie laten komen door regelmatig te vragen:

1. Hoe ziet de samenwerking tussen sociaal werkers en wijkverpleegkundigen in onze praktijk eruit?

Zorg voor kennis van de praktijk en ga in gesprek over bv. de cases waarin samenwerking meerwaarde heeft of juist stroef loopt. Bekrachtig wat goed loopt, maak dit zichtbaar.

2. Welke regels en richtlijnen zijn bepalend voor de samenwerking en zijn deze helpend of frustrerend?

Stel aan de orde: waarom doen we dit? Is dit de bedoeling? Zorg voor voldoende tijd en experimenteerruimte, vanuit vertrouwen en gelijkwaardigheid.

3. Moedigt het bekostigingssysteem samenwerking aan of belemmert dit de samenwerking?

Een uurtje factuurtje systeem beperkt de verantwoordelijkheid van de professional tot waar voor de cliënt betaalt.

4. Hebben de professionals voldoende regelruimte, mandaten en bevoegdheden om de zorg en ondersteuning voor burgers samen te regelen?

Neem blokkades weg, zorg voor gunstige voorwaarden om samen te werken.

5. Zijn informatie- en registratie systemen op elkaar afgestemd?

6. Welke mensen met verschillende ervaringen en invalshoeken kunnen we bij elkaar brengen om zo te komen tot oplossing van complexe vraagstukken?

Faciliteer een krachtige leeromgeving door dialoog en interactie te organiseren. Breng onorthodoxe verbindingen tot stand met verschillende domeinen en betrokkenen bij integrale zorg.

 

Dit artikel is geschreven door Annelies Kooiman, Sonja Liefhebber & Marise Bout.