Diversiteitsvlechtwerk: intersectionaliteit toepassen in beleid en praktijk
Het diversiteitsvlechtwerk toont intersectionaliteit in actie: hoe diversiteitsfactoren elkaar overlappen en effect hebben op kansen en uitsluiting. Professionals kunnen dit inzetten om beleid en praktijk inclusiever te maken.
Of je nu beleidsmedewerker, sociaal professional, docent of werkzaam bent in een ander beroep dat bijdraagt aan een socialere samenleving: in je dagelijks werk heb je te maken met een grote verscheidenheid aan mensen, wensen en ondersteuningsbehoeften. Het kan een uitdaging zijn om hier sensitief en inclusief mee om te gaan. Het diversiteitsvlechtwerk biedt hierbij waardevolle ondersteuning.
Samenvatting vooraf
Op deze pagina lees je wat het diversiteitsvlechtwerk is, welke twaalf diversiteitsfactoren centraal staan en hoe deze elkaar beïnvloeden. Je krijgt inzicht in hoe het vlechtwerk samenhangt met intersectionaliteit, inclusief beleid en antidiscriminatiebeleid. Klik op een link hieronder om direct naar het betreffende onderdeel te gaan.
Wat is het diversiteitsvlechtwerk?
Het diversiteitsvlechtwerk laat zien dat mensen meerdere identiteiten hebben die elkaar beïnvloeden. Deze identiteiten noemen we diversiteitsfactoren. In het vlechtwerk worden twaalf belangrijke factoren weergegeven. Iedereen heeft deze identiteiten, maar de ene factor kan meer bevoorrechte of benadeelde posities met zich meebrengen dan de andere.
Het vlechtwerk helpt inzicht te krijgen in hoe deze factoren het leven van mensen beïnvloeden, bijvoorbeeld bij sociale contacten, toegang tot voorzieningen of arbeidsparticipatie. Het maakt ook zichtbaar hoe discriminatie kan ontstaan door de kruising van meerdere identiteiten: iemand kan tegelijkertijd voordelen en obstakels ervaren afhankelijk van context en omgeving.
Een voorbeeld: een Zwarte vrouw in een rolstoel kan meer obstakels en discriminatie ervaren dan een witte man zonder beperking, omdat meerdere factoren tegelijk een rol spelen. Ook binnen groepen bestaan verschillen: lhbtqia+ personen van kleur ervaren bijvoorbeeld specifieke gelaagde discriminatie die witte lhbtqia+ personen niet meemaken.
Toelichting op de randfactoren
Deze randfactoren laten zien dat diversiteit niet alleen over zichtbare kenmerken gaat, maar ook over context en ervaring.
1. Niet statisch
Diversiteitsfactoren zijn dynamisch: je bent niet per definitie het één of het ander. Zo kun je je als man of vrouw identificeren, maar ook ergens daartussenin. Binnen elke factor bestaat bovendien interne diversiteit, waardoor er geen homogene groepen bestaan, zoals ‘alle mannen’ of ‘alle vrouwen’.
2. Afhankelijk van machtsverhoudingen
Factoren kunnen in de ene context tot onderdrukking leiden en in een andere tot privilege. Een bruin persoon kan zich bijvoorbeeld onderdrukt voelen in een overwegend witte omgeving, maar juist geprivilegieerd in een omgeving met uitsluitend Zwarte mensen. Ook een homoseksuele man kan in een heteroseksuele omgeving onderdrukking ervaren, maar ten opzichte van trans personen juist privileges hebben.
3. Situatieafhankelijke hiërarchie
Factoren wegen niet altijd en overal even zwaar. In een moskee of kerk kan religie bijvoorbeeld centraal staan, terwijl op de werkvloer educatieve vaardigheden belangrijker zijn. Er is geen vaste volgorde of weging; de invloed van een factor verschilt per situatie.
De twaalf diversiteitsfactoren
De twaalf diversiteitsfactoren in het vlechtwerk vormen geen volledig overzicht van alle mogelijke identiteiten. Ze zijn gekozen omdat professionals in beleid, sociaal werk en onderwijs hier het meest mee te maken hebben. Het gaat om zichtbare factoren (zoals huidskleur) én onzichtbare factoren (zoals financiële situatie). Veel andere factoren, zoals woonsituatie, zijn vaak het gevolg van een combinatie van deze twaalf kernfactoren, bijvoorbeeld van leeftijd, sociaaleconomische status of inkomen.
Hieronder staan de twaalf diversiteitsfactoren. Klik op 'Meer weergeven' om voorbeelden te lezen.
Afkomst en huidskleur
Afkomst en huidskleur verwijzen naar iemands etnische en/of migratieachtergrond en uiterlijke kenmerken, zoals de kleur van de huid. Als iemand op basis hiervan wordt buitengesloten noemen we dat ook wel racisme. Racisme is een systeem van vooroordelen, praktijken en beleid dat gebaseerd is op het idee van ‘ras’, dat ten goede komt aan degenen met macht. Historisch gezien gaat dat vooral over mensen die als 'wit' worden gezien.
Een voorbeeld van uitsluiting: een Zwarte man wordt vaker uit de rij gehaald voor een steekproefcontrole door de politie dan een witte man.
Seksuele oriëntatie
Seksuele oriëntatie gaat over tot wie iemand zich romantisch en/of seksueel aangetrokken voelt. Dit kan tot mensen van hetzelfde, een ander of meerdere genders zijn.
Een voorbeeld van uitsluiting: een leerling wordt gepest omdat die op school vertelt dat die op iemand van hetzelfde geslacht valt.
Gender en sekse
Sekse verwijst naar de biologische kenmerken waarmee iemand wordt geboren, zoals geslachtsdelen of hormonen. Gender gaat over hoe iemand zich voelt, uitdrukt en welke rollen de samenleving hieraan toeschrijft.
Een voorbeeld van uitsluiting: een non-binair persoon moet in een online formulier verplicht kiezen tussen 'man' of 'vrouw' en voelt zich daardoor niet erkend in diens identiteit.
Beperking en chronische ziekte
Beperkingen kunnen lichamelijk, verstandelijk, psychisch of zintuiglijk van aard zijn. Een beperking beperkt vooral vanwege de manier waarop onze samenleving ermee omgaat. Een chronische ziekte is een langdurige aandoening die het dagelijks leven beïnvloedt.
Een voorbeeld van uitsluiting: een werknemer met autisme krijgt geen rustige werkplek aangeboden, waardoor die zich niet goed kan concentreren en buitengesloten raakt van het team.
Leeftijd
Leeftijd zegt iets over de levenservaring die iemand heeft en in welke levensfase iemand zich bevindt, zoals jeugd, volwassenheid of ouderdom. Het kan invloed hebben op hoe anderen je behandelen of wat er van je verwacht wordt.
Een voorbeeld van uitsluiting: een sollicitant van 55 jaar wordt afgewezen omdat het bedrijf denkt dat oudere werknemers minder flexibel zijn of sneller uitvallen. Zo krijgt deze persoon geen eerlijke kans, terwijl diens ervaring juist waardevol kan zijn.
Religie en levensbeschouwing
Een religie is een geloofsleer of godsdienst die gebaseerd is op heilige geschriften of tradities. Mensen drukken hiermee hun geloof in het goddelijke of het heilige uit. Een levensbeschouwing is de visie die iemand heeft op het leven, op wat belangrijk is en hoe je wilt leven. Deze kan voortkomen uit een religie, maar ook uit culturele of persoonlijke overtuigingen.
Een voorbeeld van uitsluiting: een moslimleerling mag op school geen gebedsmoment houden, terwijl andere leerlingen wel hun religieuze gebruiken (zoals kerstviering) mogen uitvoeren.
Gewicht en uiterlijke kenmerken
Gewicht en uiterlijke kenmerken verwijzen naar de waarneembare fysieke eigenschappen van mensen. Dit gaat bijvoorbeeld om lichaamsgewicht, lengte, haardracht of tatoeages en piercings. Dit kan invloed hebben op hoe iemand wordt beoordeeld of behandeld, ondanks dat dit niet iets zegt over iemand capaciteiten of persoonlijkheid.
Een voorbeeld van uitsluiting: een werknemer met een korte lengte wordt niet gezien als gezaghebbend, waardoor die minder snel wordt overwogen voor een leidinggevende rol.
(Sub)culturen
(Sub)culturen gaan over de waarden, tradities en gewoonten die iemand van huis uit of vanuit diens sociale omgeving meekrijgt. Het kan ook gaan over de leefstijl van mensen. Dit kan bijvoorbeeld te maken hebben met etniciteit, religie, muziek, hobby’s en/of kleding.
Een voorbeeld van uitsluiting: een cliënt weigert geholpen te worden door een hulpverlener met zichtbare tatoeages, omdat hij denkt dat iemand daardoor minder professioneel is. Hierdoor kan de hulpverlener diens werk niet volledig uitvoeren.
Sociaaleconomische status (SES)
Sociaaleconomische status beschrijft iemands positie op de maatschappelijke ladder, gebaseerd op opleiding, beroep en inkomen. Het beïnvloedt toegang tot onderwijs, werk en andere kansen om actief mee te doen in de samenleving.
Een voorbeeld van uitsluiting: een jongere krijgt geen stageplek bij een prestigieus bedrijf omdat diens ouders geen netwerk hebben om hun kind te introduceren.
Financiële situatie
Financiële situatie is de mate waarin iemand beschikt over voldoende en stabiele inkomsten en middelen om in diens basisbehoeften te voorzien.
Een voorbeeld van uitsluiting: een leerling mag niet mee op schoolkamp omdat diens ouders het kampgeld niet kunnen betalen en de school geen regeling heeft om dit op te vangen.
Opleiding
Opleiding verwijst naar het onderwijs dat iemand heeft gevolgd of volgt en de kennis en vaardigheden die daarbij worden opgedaan. Het gaat daarbij niet alleen om (school)diploma’s, maar ook om trainingen, cursussen en andere vormen van leren.
Een voorbeeld van uitsluiting: een organisatie wijst mbo-geschoolden af voor bepaalde functies, ondanks hun competenties.
Taal en geletterdheid
Taal is het middel waarmee mensen met elkaar communiceren. Geletterdheid betekent dat iemand kan lezen, schrijven en informatie begrijpt om goed mee te doen in de samenleving.
Een voorbeeld van uitsluiting: een ouder begrijpt de schoolbrieven van het kind niet goed en durft niet om uitleg te vragen, waardoor deze ouder minder betrokken wordt bij oudergesprekken.
Het diversiteitsvlechtwerk kan op verschillende manieren ingezet worden door beleidsmedewerkers, sociaal professionals en onderwijsprofessionals. Het fungeert bijvoorbeeld als reflectietool: beleidsmakers kunnen bij het opstellen van beleid nagaan of ze rekening hebben gehouden met verschillende diversiteitsfactoren en onbewuste uitsluitingsmechanismen.
Zo kan het vlechtwerk worden gebruikt naast een plan om sociale veiligheid op middelbare scholen te verbeteren, met vragen zoals: ‘Voorziet het plan in de behoeften van gepeste lhbtqia+ leerlingen?’ of ‘Wordt er rekening gehouden met de gebedsbehoeften van moslimleerlingen?’
Professionals kunnen het diversiteitsvlechtwerk ook gebruiken om beter zicht te krijgen op verschillen tussen mensen en hoe deze elkaar kruisen. Het helpt om eigen aannames te toetsen, beter aan te sluiten bij cliënten of bewoners, en blinde vlekken in beleid of projecten te signaleren. In de praktijk wordt het bijvoorbeeld ingezet bij (brede) intakes, intervisies, buurtinitiatieven en teamreflecties. Zo draagt het bij aan meer inclusieve hulpverlening en de vertaalslag van beleid naar praktijk.
Hoe verhoudt het diversiteitsvlechtwerk zicht tot intersectionaliteit, inclusief beleid en antidiscriminatiebeleid?
Het diversiteitsvlechtwerk sluit aan bij verschillende manieren van beleid maken en uitvoeren voor beleidsmedewerkers, sociaal professionals en onderwijsprofessionals. Het helpt inzicht te krijgen in hoe diversiteitsfactoren in de praktijk invloed hebben op mensen en kan worden toegepast vanuit drie perspectieven: intersectionaliteit, inclusief beleid en antidiscriminatiebeleid.
Het diversiteitsvlechtwerk laat op een overzichtelijke manier zien wat intersectionaliteit betekent: de kruising van verschillende identiteitskenmerken bepaalt iemands positie in de maatschappij. Deze kruisingen, zichtbaar in de vervlechting van diversiteitsfactoren, beïnvloeden kansen, uitsluiting, discriminatie en macht.
Het begrip intersectionaliteit werd in 1989 geïntroduceerd door Kimberlé Crenshaw. Zij benadrukte dat iemand niet alleen wordt beïnvloed door één identiteit, zoals sekse, maar door de combinatie van meerdere factoren, bijvoorbeeld sekse en huidskleur. Zo ervaren Zwarte vrouwen vaak specifieke vormen van discriminatie die witte vrouwen niet meemaken.
Het diversiteitsvlechtwerk maakt ook duidelijk dat er geen ‘één gemeenschap’ bestaat. Binnen groepen ontstaan verschillen door de unieke combinatie van diversiteitsfactoren. Iemands positie is meer dan de optelsom van afzonderlijke kenmerken; context bepaalt hoe identiteiten elkaar beïnvloeden en hoe iemand bevoordeeld of kwetsbaar is.
Door problemen en ondersteuningsbehoeften intersectioneel te bekijken, worden de verschillende lagen van sociale ongelijkheid zichtbaar en kunnen beleid en ondersteuning gerichter en inclusiever worden vormgegeven.
Stel je voor…
Je bent gemeenteambtenaar en wilt de toegankelijkheid van de binnenstad verbeteren. Je gaat in gesprek met het WMO-platform en een zelforganisatie van mensen met een beperking. De gesprekken verlopen goed en je ontvangt waardevolle tips die je in beleid wilt verwerken.
Bij de presentatie van het beleid blijkt echter dat sommige groepen zich niet gehoord voelen. Jongeren met een beperking geven aan dat vooral de wensen van volwassenen zijn meegenomen, bijvoorbeeld bij het jongerenwerk of een lokale disco. Vanuit een lokale migrantenorganisatie komt kritiek omdat het buurthuis, waar onder andere de Syrische gemeenschap samenkomt, niet goed toegankelijk is. Tot slot ervaren mensen met een verstandelijke beperking dat vooral de wensen van mensen met een fysieke beperking zijn meegenomen.
Dit voorbeeld laat zien dat intersectionele verschillen tussen mensen cruciaal zijn om beleid inclusief en effectief te maken.
De intersectionele blik van het diversiteitsvlechtwerk is een belangrijke randvoorwaarde voor het ontwikkelen van inclusief beleid in je organisatie. Inclusie betekent dat iedereen de vrijheid en mogelijkheid heeft om zijn of haar eigen leven in te richten en volwaardig deel te nemen aan de samenleving.
Inclusie gaat daarbij ook over de toegankelijkheid van voorzieningen en beleidsprocessen. Zijn de activiteiten in een buurthuis uitnodigend en toegankelijk voor mensen op het neurodiverse spectrum? Zijn de voorwaarden van een subsidieaanvraag haalbaar voor mensen met laaggeletterdheid? Door deze vragen te stellen, maak je beleid bewuster inclusiever.
Het diversiteitsvlechtwerk helpt ook om te kijken hoe inclusief je huidige beleid inwoners en partners betrekt. Door na te gaan welke perspectieven of diversiteitsfactoren nog ontbreken, kun je kritisch de samenstelling van inspraakorganen beoordelen en mensen buiten de ‘usual suspects’ actief betrekken. Zo komen ook ongehoorde geluiden naar boven.
Meer informatie over het diversiteitsvlechtwerk en inclusief beleid vind je in de handreiking Inclusief beleid voor gemeenten. Hoewel de handreiking vooral gericht is op gemeentebeleid, zijn de lessen ook toepasbaar voor andere organisaties.
Het diversiteitsvlechtwerk laat zien op basis van welke combinaties van diversiteitsfactoren mensen in- of uitgesloten kunnen worden. Uitsluiting op deze gronden is discriminatie, die zowel interpersoonlijk als institutioneel kan zijn.
Interpersoonlijke discriminatie gaat over gedrag tussen mensen. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit microagressies of stereotypering, die mensen met gemarginaliseerde intersecties beïnvloeden. Institutionele discriminatie ontstaat door beleid en systemen die ongelijkheid creëren, bevestigen en in stand houden, vaak onbewust. Een voorbeeld is beleid dat gericht is op de ‘gemiddelde’ burger, zoals vacatures waarin uitstekend Nederlands wordt vereist of werkervaring in Nederland verplicht is.
Het diversiteitsvlechtwerk helpt professionals te herkennen waar discriminatie kan optreden en welke groepen hierdoor extra kwetsbaar zijn. Antidiscriminatiebeleid kan hierbij aansluiten op inclusief beleid. Het biedt handvatten om ongelijkheid tegen te gaan en gelijke kansen te waarborgen.
Lees in het artikel Tips uit de praktijk om antidiscriminatiebeleid te borgen hoe andere gemeenten dit aanpakken. Lees in het artikel Waarom een gemeente een inclusie- en antidiscriminatiebeleid moet hebben waarom gemeenten beide beleidsvormen nodig hebben. Hoewel deze artikelen voornamelijk gericht zijn op gemeentelijk beleid, zijn de lessen ook toepasbaar in andere organisaties.