Wat werkt bij gemeentelijk LHBT-beleid?

Werkzame elementen van lokale LHBT-beleidsinterventies verkend

10 juni 2021

Hoe geef je als gemeente het LHBT-beleid zo vorm, dat dit verandering teweegbrengt en vooroordelen en discriminatie tegengaat? De veranderingsmodellen in een kennissynthese van Movisie bieden hiervoor een theoretische basis.

Steeds meer gemeenten in Nederland besteden inmiddels aandacht aan het welzijn van hun lesbische, biseksuele, homo, transgender en soms ook intersekse (LHBTI) inwoners. Dit zijn de zogeheten Regenboogsteden. Het inzetten van beleidsmaatregelen om maatschappelijke verandering te bevorderen is echter niet eenvoudig. Het vergt vaak een aanpak die een collegeperiode overstijgt; emancipatie is nu eenmaal niet binnen vier jaar bereikt. Het is daarom van belang over een theoretische basis te beschikken waarmee je als gemeente lokaal LHBT-beleid kunt vormgeven.

Download de kennissynthese

Lokaal LHBT-beleid, zonder de I? 

In het nationale beleid bestaat de doelgroep uit lesbische vrouwen, homomannen en biseksuele, transgender- en intersekse personen (LHBTI-personen). Lokaal zijn intersekse personen nog nauwelijks doelgroep van het beleid en de activiteiten. Hierdoor gaat op lokaal niveau vaker over LHBT-beleid dan over LHBTI-beleid. De verwachting is dat met de toename van de bewustwording rondom dit thema en de ontwikkeling van organisaties die opkomen voor de belangen van intersekse personen deze groep ook nadrukkelijk doelgroep wordt van het lokale beleid.

Te weinig houvast

Wetenschappelijke publicaties naar de effectiviteit van gemeentelijk LHBT-beleid zijn er nauwelijks. De weinige internationale onderzoeken die er zijn, zijn niet te vertalen naar de Nederlandse praktijk en bieden dus te weinig houvast om een theoretisch model te leggen over lokaal LHBT-beleid. In de kennissynthese ‘Wat werkt bij gemeentelijk LHBT-beleid’ worden twee theoretische modellen uitgelicht die weliswaar niet specifiek over LHBT-beleid op lokaal niveau gaan, maar wel bruikbaar zijn voor het inrichten van een zo effectief mogelijk lokaal LHBT-beleid.

Twee modellen

De twee theoretische modellen zijn afkomstig uit een essay van onderzoekscollectief DRIFT over transitiemanagement en een artikel van bestuurswetenschapper Frank Hendriks over bestuurlijke innovatie. Het model van DRIFT voor een duurzame samenleving is interessant om het lokale LHBT-beleid tegenaan te houden, omdat het net als het sociale acceptatie vraagstuk van seksuele- en genderdiversiteit een langdurig en taai proces is en het uit verschillende, opeenvolgende beleidsstappen bestaat. De visie van Hendriks schetst een inhoudelijk kader waarmee bestuurlijke innovaties kunnen worden gekwalificeerd en geëvalueerd. De veranderingsmodellen werken tweeledig: ze bieden een theoretische onderbouwing van beleidstheorieën in de praktijk en tegelijkertijd toetsen ze die praktijk aan de theorie. In de kennissynthese worden de modellen geïllustreerd met praktijkvoorbeelden uit de Regenboogsteden. In een infographic zijn een aantal elementen uit de modellen schematisch weergegeven.

Bekijk de infographic

Gedragen beleid

Uit beide modellen komt naar voren dat het succes van bestuurlijke veranderingen en beleid staat of valt met de ambitie en betrokkenheid van de gemeente én de samenwerkingspartners. Leiderschap vanuit het College van B&W, een aangewezen beleidsmedewerker op het thema, een LHBT-infrastructuur die bestaat uit belangenorganisaties en geschikte uitvoeringspartners en/of enthousiaste burgers blijken cruciaal voor een gedegen en gedragen beleid.

Aandachtspunt

Duurzaamheid blijkt echter een aandachtspunt. Door beleid voor een langere periode in te richten en daarbij een monitoringsstructuur op te zetten, kan een gemeente de aanzet geven tot veranderingen over een lange termijn. Cruciaal voor een effectief LHBT-beleid is het inzetten op wat werkt, betrekken van de doelgroep en andere betrokken burgers, meerjarige subsidies aan uitvoeringspartijen, continuïteit in ambtelijke capaciteit en het creëren van eigenaarschap in de stad, al dan niet door het stimuleren van platforms en adviesraden.   

Deze kennissynthese maakt deel uit van de Wat werkt bij-dossiers.