Preventietaak van antidiscriminatievoorzieningen: zo werkt het

In de gemeentelijke aanpak van discriminatie neemt preventie een belangrijke plek in: voorkomen is immers beter dan genezen. Antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) zijn de regionale organisaties met expertise op het terrein van discriminatie. Het ligt dus voor de hand dat zij hierin een belangrijke rol spelen. Er ligt een voorstel om het wettelijke takenpakket van ADV’s uit te breiden met preventie van discriminatie. Maar wat houdt die preventietaak in? En hoe kan de gemeente de ADV deze taak goed laten uitvoeren?

Risicofactoren

Discriminatie voorkomen betekent risicofactoren verminderen. Risicofactoren voor discriminatie zijn onder meer vooroordelen en stereotype denkbeelden. Wanneer iemand meer vooroordelen of stereotype beelden heeft, is de kans groter dat diegene discrimineert. Lessen, cursussen, theaterprogramma’s en films zijn mogelijke interventies gericht op het verminderen van vooroordelen en stereotypen onder specifieke doelgroepen.

Een andere risicofactor wordt gevormd door negatieve sociale normen over groepen die een minderheid vormen in de samenleving. Een campagne, een parade of een kunstprogramma dat bijvoorbeeld uitdraagt dat diversiteit er mag zijn en inclusie de norm is, is ook een vorm van preventie. Datzelfde geldt voor acties gericht op het uitdragen van een duidelijke norm van gelijkheid, inclusie en antidiscriminatie (zie dit artikel). 

‘Helaas heeft momenteel slechts een fractie van de gemeenten een antidiscriminatiebeleid, terwijl in ons land genoeg ervaring en expertise aanwezig is bij ADV’s en Movisie. Gemeenten hebben een helder beleid nodig als het gaat om het voorkomen van discriminatie en racisme, en het bevorderen van gelijke behandeling in gelijke gevallen. Lokaal bestuurders kunnen zulke beleidsnormen uitdragen als onderdeel van hun leiderschap.’

- Sjaak van der Linde, directeur-bestuurder antidisciminatiebureau RADAR

Verschillende typen preventie 

Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen primaire preventie, secondaire preventie en tertiaire preventie. Dit onderscheid komt uit de gezondheidszorg (Dijkstra, 2018) en sluit aan bij de indeling die het ‘Loket van gezond leven’ aanhoudt.

  • Primair: verminderen risicofactoren van discriminatie, bijvoorbeeld door algemene publiekscampagnes (‘Zet een streep door discriminatie’) om sociale normen tegen discriminatie neer te zetten of met interventies gericht op het verminderen van vooroordelen en stereotypen. Denk aan documentaires en boeken, maar ook aan ontmoetingsmogelijkheden in de wijk. Dit beleid wordt ook wel geschaard onder ‘inclusiebeleid’ of beleid voor het bevorderen van sociale cohesie. Deze vorm van preventie is gericht op alle mensen die mogelijk zouden kunnen discrimineren.
  • Secundair: in sectoren waar al problemen zijn, zoals op de arbeidsmarkt of op scholen. Deze vorm van preventie is gericht op plekken waar discriminatie zichtbaar of al bewezen speelt. Een interventie kan bijvoorbeeld een cursus zijn voor leidinggevenden binnen een bedrijf om te leren in te grijpen bij discriminatie en ander ongewenst gedrag op de werkvloer. Dat kan nadat dit bedrijf hier signalen over heeft ontvangen van de vertrouwenspersoon. Maar het kan ook gaan om signalen uit landelijk onderzoek: zo is bijvoorbeeld duidelijk bewezen dat er op de Nederlandse arbeidsmarkt volop gediscrimineerd wordt in werving en selectie. Het heeft dus zin om recruiters en HRM-medewerkers te trainen in het objectief te werven en selecteren van nieuwe medewerkers (zie dit artikel). Een ander voorbeeld van secundaire preventie is een studiedag voor docenten op een school omdat er signalen zijn dat leerlingen last hebben van discriminatie of omdat dit blijkt uit de landelijke monitor sociale veiligheid onder scholen.
  • Tertiair: activiteiten gericht op groepen waarvan duidelijk is dat ze hebben gediscrimineerd. Bijvoorbeeld: met jongeren die zich schuldig hebben gemaakt aan antisemitische leuzen, samen een bezoek brengen aan een voormalig vernietigingskamp of aan het Anne Frank Huis.  Deze vorm van preventie richt zich op daders van discriminatie. 

Preventie en aanpak soms verweven met elkaar

Wanneer je collega’s of leerlingen in een klas leert om in te grijpen als getuige van discriminatie (zie dit artikel over ingrijpen as omstander), dan pak je niet alleen de bestaande discriminatie aan maar werk je ook aan het voorkomen van discriminatie in de toekomst. Omstanders zien dat discriminatie niet wordt geaccepteerd en dat vermindert de kans dat zij zich er schuldig aan gaan maken. Op die manier zijn de aanpak en de preventie van discriminatie verweven.

Het voorkomen van herhaling (recidive) bij plegers kan ook onder preventie vallen. Denk bijvoorbeeld aan een groep jongeren die zich schuldig hebben gemaakt aan het schrijven van racistische leuzen die een taakstraf krijgen. Het is de bedoeling dat zij daarvan leren dat racisme en discriminatie verkeerd zijn. 

Bouwstenen

Wetenschappers vanuit de hele wereld en vanuit verschillende disciplines, zoals psychologie en sociologie, doen al decennialang onderzoek naar de vraag: wat werkt om discriminatie, vooroordelen en stereotypen te verminderen? Om tot zinvolle preventieactiviteiten te komen, is het zinvol om gebruik te maken van de werkzame mechanismen (‘bouwstenen’) die deze wetenschappers hebben ontdekt. Zij hebben namelijk vaak experimenten gedaan of groepen mensen jarenlang gevolgd en zo meer zicht gekregen op wat nu werkt en wat niet. Movisie en KIS hebben deze werkzame mechanismen uitgebreid beschreven in het dossier ‘Wat werkt bij het verminderen van discriminatie dossier’ (Broekroelofs & Felten, 2023). In het kort staan deze ook in een checklist die gebruikt kan worden bij het ontwikkelen en verbeteren van nieuwe en bestaande interventies. Aan te raden is voor ADV’s om hier hun voordeel mee te doen en voor gemeenten om ADV’s te wijzen op deze kennis. Want: ‘baat het niet, dan schaadt het niet’ gaat niet op in de preventie van discriminatie. Soms kan een goed bedoelde preventie activiteit averechts werken. Een voorbeeld is het bespreken van stereotypen in een schoolklas met kinderen. Wanneer kinderen worden gevraagd om alle stereotype beelden op te noemen die zij kennen over een bepaalde groep, en vervolgens wordt vertelt dat deze niet kloppen, onthouden zij deze stereotypen vaak onbewust juist wel (zie bijvoorbeeld dit artikel). 

Voorbeelden van preventie door ADV’s

  • ‘Uit de kast’ van Tumba: Uit de kast is een escaperoom voor in het klaslokaal, bestaande uit een mobiele houten kast. In het interactieve spel gaan de leerlingen samen aan de slag met puzzels en raadsels die ze proberen op te lossen binnen een bepaalde tijd om zo ‘uit de kast’ te komen. In dit spel helpen ze het hoofdpersonage, Brian, in zijn zoektocht naar zijn gender- en seksuele identiteit.
  • ‘Mystery Guest’ van Discriminatie Meldpunt Groningen: De Mystery Guest wordt de klas ingehaald. Duidelijk is dat deze persoon een discriminatie-ervaring heeft, maar welke en waarom? De leerlingen stellen vragen om hierachter te komen en komen ook nog vele andere dingen over de persoon te weten. Het gesprek wordt begeleid door de workshopleider (medewerker DMG), zodat alles in goede banen geleid wordt.

Randvoorwaarden

De kans dat preventie ook daadwerkelijk helpt, wordt vergroot door te voldoen aan een aantal randvoorwaarden. Dit zijn onder meer de volgende:

  • Partijen betrekken bij preventie:
    • Belangenorganisaties, zelforganisaties, actiegroepen en ervaringsdeskundigen.
    • De organisaties in de domeinen waar je de verandering wil bewerkstelligen. Denk aan sportorganisaties, werkgevers, scholen, zorginstanties, gemeenten, et cetera.
  • Stapsgewijze ontwikkeling gebaseerd op wetenschappelijke kennis over wat werkt én wat niet werkt. 
  • Victim blaming voorkomen: van slachtoffers van discriminatie moet niet worden verwacht dat ze hun gedrag veranderen. Vermindering van schadelijke gevolgen bij slachtoffers en empowerment is géén preventie van discriminatie, maar wel belangrijk.
  • Oog voor intersectionaliteit. Dit houdt in dat een combinatie van factoren iemands positie in de maatschappij bepaalt. Dit wordt ook wel kruispuntdenken genoemd. Daarnaast zegt de interactie tussen die verschillende factoren iets over de mate van – en manier waarop – iemand discriminatie kan ervaren.
  • Uitvoerders met kennis en kunde over de thematiek en over de betreffende sector inzetten.
  • Leren, verbeteren en meten: dat betekent monitoren (zie het Kwaliteitskompas of een voorbeeld van lhbtiqa+ beleid) en evalueren. Idealiter doet een onafhankelijke onderzoekspartij evaluatieonderzoek.

Preventie: een hoofdrol voor de ADV

De ADV kan inzetten op preventie van discriminatie door interventies (aanpakken, methoden) te ontwikkelen en/of uit te rollen die gericht zijn op het verminderen van de risicofactoren van discriminatie. Denk bijvoorbeeld aan een lespakket voor scholen gericht op het verminderen van vooroordelen en stereotypen onder de leerlingen, of een campagne in de stad gericht op het uitdragen van tolerantie en respect voor elkaar. ADV’s hoeft daarbij niet altijd het wiel zelf uit te vinden, maar kunnen samenwerken met andere organisaties, zoals andere ADV’s, belangen- en actieorganisaties, en stichtingen, die al succesvolle en goed onderbouwde interventies hebben ontwikkeld. Zo staan in deze database al vele interventies die in het hele land worden ingezet. ADV’s kunnen samen met de makers hiervan bekijken hoe ze een interventie in hun eigen regio kunnen uitzetten. Op die manier kan de preventie-taak van de ADV ook meer coördinerend van aard zijn.  

Cruciaal is wel dat de ADV voldoende middelen (financiële middelen, expertise) en politieke bestuurlijke steun krijgt vanuit de gemeente voor het uitvoeren van de preventietaak van discriminatie. Hoewel dit steeds meer voor lijkt te komen, is dit nog niet in alle gemeenten het geval. Als gemeente is het dus aan te raden om de preventietaak van de ADV uit te werken, te formaliseren en onderdeel te maken van het lokaal antidiscriminatiebeleid van de gemeente.

Een stevig antidiscriminatiebeleid

Tot slot is het cruciaal om alle activiteiten gericht op de preventie van discriminatie te bundelen en onderdeel te maken van een actieplan of beleid tegen discriminatie. Oftewel: ze moeten worden opgenomen in een antidiscriminatiebeleid. Zo ontstaat er samenhang en blijven deze activiteiten geen losse zandkorrels. In de handreiking antidiscriminatiebeleid voor gemeenten staat beschreven hoe zo’n beleid stapsgewijs kan worden opgesteld. Naast preventieactiviteiten staan hier bijvoorbeeld ook activiteiten in gericht op het aanpakken van discriminatie wanneer het zich voordoet en vormen van bijstand en hulp aan slachtoffers. En ook hier heeft de ADV weer een hoofdrol in. Aan gemeenten de taak om te zorgen dat de ADV met voldoende middelen en voldoende expertise en samenwerkingen met andere lokale partijen aan de slag kan.