'Het resultaat voor de inwoner moet centraal staan'

Alphen a/d Rijn gastgemeente congres 'Doen wat werkt'

10 december 2018

Het tellen van activiteiten, uren of cliënten zegt niks over het resultaat, aldus Han de Jager, wethouder in Alphen aan den Rijn. Zijn gemeente hervormde het sociale domein grondig door samenwerkingsverbanden af te dwingen die worden beoordeeld op de effecten voor inwoners. ‘De juiste weg.’

De kerngedachte van de transformatie van het sociale domein, zegt Han de Jager, is dat de inwoners centraal staan, niet het systeem. ‘Onze beginvraag in 2014 luidde: hoe zorgen wij ervoor dat de aanbieders de best mogelijke dingen doen. Wij hebben eerst onze eigen rol afgebakend: wij gaan over het wat, de aanbieders over het hoe. We wilden ook luisteren naar de professionals en hen ruimte geven om met innovatieve oplossingen te komen.’

Evengoed moet een gemeente flink ingrijpen als je een systeem wilt wijzigen dat verkeerde prikkels geeft, aldus de CDA-wethouder met een brede portefeuille (zorg, welzijn, jeugd, werk, onderwijs). ‘Grondige vernieuwing moet je afdwingen. Anders gebeurt het gewoon niet.’

Congres Samen sturen op doen wat werkt

Alphen aan den Rijn is gastheer van het landelijk congres ‘Samen sturen op doen wat werkt’, op 21 januari in het gemeentehuis. Ook Hilversum, Rotterdam en vele andere steden laten dan zien hoe zij samen met maatschappelijke organisaties sturen op ‘doen wat werkt’. Samen, want wil je verschil maken bij de aanpak van ernstige sociale problemen dan moeten gemeente, professional en burger het echt samen doen. Jantine Kriens, algemeen directeur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), sluit het congres af. Meer informatie over het congres.

Aanbesteding als sleutel

Voor Alphen aan den Rijn lag de sleutel in een andere manier van aanbesteden. Te beginnen bij de nieuwe Wmo-taken die de gemeente in 2015 kreeg. Alphen schreef een brede, algemene opdracht uit, waardoor afzonderlijke zorg- en welzijnsorganisaties praktisch gedwongen werden een collectief te vormen. Welk collectief en hoe het zou opereren – dat was aan de organisaties. Maar het verbond zou worden beoordeeld op het maatschappelijk resultaat.

De bijzondere procedure leidde tot een consortium van acht zorg- en welzijnsorganisaties dat de aanbesteding won onder de naam Tom in de Buurt. Zij vormden nieuwe wijkteams, met 15 tot 20 wijkcoaches, en creëerden enkele tientallen laagdrempelige inlooplocaties. Inwoners kunnen er terecht voor een vraag, lichte ondersteuning maar ook voor zwaardere hulpvragen. Er zijn geen indicaties meer, noch schotten tussen organisaties, noch wachtlijsten. Alle bureaucratie is eruit gehaald. De wijkcoaches worden bijgestaan door een netwerk van zo’n 600 vrijwilligers.

Han de Jager

De juiste weg

Tom in de Buurt was het begin. Daarna werd op een soortgelijke manier een verbond afgedwongen van basisvoorzieningen (bibliotheek, theater, jeugd- en jongerenwerk, organisaties voor culturele expressie en sportstimulering). En recent ook van organisaties op het terrein van de jeugdhulp.

Het centrale idee is dat maatschappelijk resultaat – meer gezondheid en welzijn onder inwoners, meer participatie en zelfredzaamheid – alleen bereikt kan worden met een gezamenlijke verantwoordelijkheid; institutionele belangen mogen dat niet verhinderen. ‘Wij zijn ervan overtuigd dat dit de juiste weg is,’ zegt De Jager.

Hoe meet je?

Een belangrijke, maar ook lastige vraag: hoe meet je dat resultaat? Alphen aan den Rijn gebruikt verscheidene indicatoren, zoals scores op de zelfredzaamheidsmatrix en participatieladder, klanttevredenheid, mate van recidive (mensen die voor een tweede of volgende keer een traject ingaan) en tevredenheid van stakeholders.

‘Alles bij elkaar geeft dat een redelijke indruk,’ zegt Marjolein Buis, gemeentelijk projectleider maatschappelijke ontwikkeling. De indicatoren moeten wel steeds in hun context worden bezien. Lichte achteruitgang van zelfredzaamheid in een wijk met veel oude inwoners is misschien al heel goed. En een tevredenheidsscore heeft ook zijn beperkingen, zeker in jaren van overgang. De Jager: ‘Waarheidsvinding is ingewikkelder dan het lijkt. Maar naar de oude manier van beoordelen – op basis van uren en aantallen activiteiten en cliënten – willen we hoe dan ook niet terug. Dat zegt namelijk helemaal niks. En het belastte professionals ook nog met veel bureaucratie.’

Deining

Er zijn maar weinig gemeenten in Nederland waar het sociale domein de voorbije jaren zo rigoureus is omgevormd als Alphen aan den Rijn. ‘We zijn er allemaal van overtuigd dat we de juiste weg zijn ingeslagen, inclusief de gemeenteraad en betrokken organisaties,’ zegt De Jager. Maar waar je als gemeente wel op berekend moet zijn: zo’n transformatie vergt tijd en veroorzaakt onrust.

De nieuwe, ‘brede’ aanbestedingen leidden er in Alphen toe dat een deel van de oude aanbieders buiten de boot viel. Sommige kwamen (juridisch) in verzet. De professionals bovendien zagen hun dagelijks werk nogal veranderen. De wijkcoaches van Tom in de Buurt moeten als generalisten opereren, al behouden ze tegelijkertijd hun specialisme. Bovendien vergt de nieuwe aanpak meer improvisatievermogen en nam het aantal cliënten fors toe. Een deel van de professionals wilde of kon de veranderingen niet aan en vertrok. ‘Als je op een wat traditionelere manier de middelen verdeelt, heb je daar minder last van,’ zegt De Jager. ‘We wisten dat er deining zou komen. Dat moet je op de koop toenemen. Uiteindelijk leidt onze aanpak tot meer resultaat voor onze inwoners.’

Collectief

Sleutelbegrippen in het betoog van De Jager zijn empathie en dialoog. ‘Daarmee bedoel ik niet 'U vraagt, wij draaien'. Het draait om interesse tonen en luisteren naar de behoeften van inwoners. Samen tot een oplossing komen in plaats van denken vanuit een vaststaand aanbod. Daarom heb ik ook zo’n hekel aan het woord cliënt. Dat is een klant die je bedient met een product dat jij hebt bedacht.’

De wijkteams van Tom in de buurt, vult Marjolein Buis aan, zijn geen toegangspoort meer voor een indicatie maar een plek om elkaar te ontmoeten. Dat gebeurt overigens veelal in collectief verband. Intensieve individuele begeleiding is er voor wie die nodig heeft. Om daar ruimte voor te scheppen, vinden andere activiteiten zoveel mogelijk in groepsverband plaats. Iemand die voorheen thuis werd geholpen bij het bereiden van de avondmaaltijd, komt nu naar het wijkcentrum om samen met anderen te koken.

Gemengd

Gespecialiseerde instellingen hebben hun deuren opengezet voor andere doelgroepen. De locaties voor ouderen met lichte dementie, mensen die een tegenprestatie moeten doen in het kader van de Participatiewet en bijvoorbeeld mensen die kampen met eenzaamheid zijn niet langer gescheiden. ‘Je moet inwoners niet in een hokje stoppen,’ zegt De Jager. ‘Een mens is een mens. Een mens is niet zijn beperking.’ Buis: ‘Mensen met eenzelfde soort probleem kunnen behoefte hebben aan iets heel anders. En soms hebben mensen met een verschillend probleem juist baat bij hetzelfde.’

Oude reflexen

Er zijn meer gemeenten die pogen om zorg-, welzijns- en jeugdhulporganisaties te beoordelen op het maatschappelijk resultaat, en niet meer op het tellen van activiteiten, cliënten en uren. Nemen we binnenkort definitief afscheid van afrekenen op basis van ‘p maal q’ zoals De Jager het noemt, prijs maal hoeveelheid? ‘Ik zie veel tegenreflexen, waarbij gemeenten en organisaties juist kiezen voor ‘p maal q’, als een veilige route’ zegt De Jager. ‘Dat moeten we echt niet meer willen. Dat dient alleen de factuur.’

Kort na zijn aantreden las hij een jaarverslag van de GGD waarin tien bijeenkomsten voor de bestrijding van overgewicht werden gemeld. ‘Ik vroeg ambtenaren of ze konden uitzoeken wat eruit was gekomen. Wat bleek? De bijeenkomsten bleken niet eens te hebben plaatsgevonden, vanwege ziekte van een betrokkene. Het rapporteren van dat soort cijfers biedt geen enkel inzicht in het resultaat voor inwoners.’ Marjolein Buis: ‘Het is schijninformatie.’

Interview: Marcel van Engelen