‘Wie neemt regie om te voorkomen dat problemen in de buurt escaleren?’

Leonie Heezen en Roderik Wijma van woningcorporatie Bo-Ex

16 juni 2020

Hoe kunnen mensen met bijvoorbeeld psychiatrische problemen of een verslaving toch meedoen in de samenleving, hun wijk of stad? En wat is specifiek de rol van woningcorporaties bij het ondersteunen van mensen met een verhoogde kwetsbaarheid? En hoe opereren ze in coronatijd? Movisie sprak daarover met Leonie Heezen en Roderik Wijma, van woningcorporatie Bo-Ex in Utrecht.

Leerbijeenkomst Buurt voor iedereen op 7 juli: de rol van woningcorporaties

Leonie Heezen en Roderik Wijma zullen tijdens de online bijeenkomst van 7 juli meer over hun rol als woningcorporatie vertellen. Er is volop gelegenheid tot interactie en het stellen van vragen. Geïnteresseerd?

Meld je hier aan

Leonie Heezen werkt bij Bo-Ex als stafmedewerker wonen. Ze houdt zich daarbij bezig met het thema inclusiviteit in de brede zin van het woord. Daarbij komen thema’s als laaggeletterdheid, psychische kwetsbaarheid en destigmatisering van bewoners aan bod. ‘Ik probeer te stimuleren dat we er als corporatie aandacht voor hebben.’
Roderik Wijma is sociaal buurtbeheerder. ‘Ik probeer sociale leefbaarheid te stimuleren, organiseer sociale projecten en ondersteun initiatieven op dat gebied. Het gaat erom bewoners met elkaar in contact te brengen zodat er netwerken ontstaan in de buurt.’

Wat merken jullie in coronatijd van contacten met bewoners? Hoe beleven mensen deze tijd?

Roderik Wijma: ‘In het begin waren er veel initiatieven om voor elkaar te zorgen. Dat ging als vanzelf. Je zag ook dat er minder overlast was. Mensen hielden rekening met elkaar, er was solidariteit. De laatste twee, drie weken zijn veel mensen coronamoe. Er is meer frictie, meer wrijving en overlast. Waar mensen zich in het begin meer aan de regels hielden, is dat nu minder. Er is nu ook minder duidelijk wat die regels precies zijn.’

Hoe opereer jij nu daarin?

‘Onze wijkkantoren zijn officieel gesloten. Daar kun je alleen op afspraak terecht. Dat was ook de plek waar we bewoners troffen over initiatieven in wijk en buurt. Nu is het meer zorg op maat en spreek ik af in de tuin bij mensen, bij overlast of escalatie. Ook bemiddel ik en regel ik zaken ad hoc. Omdat ik in de buurten kom, merk ik ook nu dat er meer frictie is.’

Leonie, jij werkt in jouw functie aan destigmatisering. Onder andere van bewoners met een psychische kwetsbaarheid. Spelen jullie als woningcorporatie standaard een rol om met andere buurtbewoners te spreken als er iemand met een psychische kwetsbaarheid een woning van Bo-Ex betrekt?

Leonie Heezen: ‘Niet standaard. Je moet natuurlijk ervoor waken dat zo’n gesprek juist stigmatiserend gaat werken. Het is maatwerk. We stemmen af met de bewoner en met diens begeleider. In sommige situaties vinden mensen het inderdaad prettig.'

Roderik Wijma: ‘Klopt, zo werken we. Ik moet er wel bij vertellen dat ggz propageert dat als er cliënten van hen komen wonen in buurten, dat andere bewoners worden geïnformeerd en dat er sociale netwerken worden gestimuleerd. Maar vaak is het in de praktijk zo dat pas als er overlast ontstaat, zaken escaleren met buren, andere bewoners te weten komen dat er iemand is komen wonen met een psychische kwetsbaarheid. Bewoners voelen zich dan vaak in de steek gelaten over het feit dat ze dat niet wisten. Dat is natuurlijk heel jammer want dat creëert juist onbegrip.’

Heezen: ‘Bij gemengd wonenprojecten is helder dat mensen met en zonder begeleiding met elkaar samenwonen. Dat is juist het woonconcept dat bewoners naar elkaar omkijken. Een soort van nabuurschap. Wat daarbij nog wel een punt is, is dat bewoners die begeleid in zo’n woonproject wonen soms ook ondersteuning nodig hebben om in dat woonsysteem, hun woonomgeving te functioneren. Voor de individuele hulpverlener betekent dit dat ze naast de individuele cliënt ook aandacht moeten hebben voor hun cliënt in het woonsysteem, hun woonomgeving. Ik zie tegelijkertijd wel dat ggz daarin bezig is met een draai – dat niet alleen de zorg, behandeling en begeleiding van belang zijn maar ook hoe mensen zich redden in de buurt.’

Wijma: ‘Soms gaat het ook wel goed. Ik ken het voorbeeld van een bewoner die psychoses heeft. De buren weten dat en zijn erg zorgzaam voor deze mevrouw.’

'Vooral niet wachten tot het moment dat het escaleert'

Kun je dat beïnvloeden, ook als woningcorporatie of is het een kwestie van geluk, hoe de buurt reageert?

Wijma: ‘Het gaat om begrip creëren. Om uitleg en voorlichting te geven en op de juiste momenten mensen in te schakelen. Maar vooral niet wachten tot het moment dat het escaleert, want dan is het moeilijk om het weer terug te draaien. In Utrecht Overvecht werken we met een buurtaanpak. Daarbij delen we signalen met het wijkbureau van de gemeente, het buurtteam, met de wijkagenten en met de handhavers. Dat stelt ons in staat om toch iemand te kunnen helpen en de angel eruit te halen bij omwonenden als er incidenten zijn.’

Dat gebeurt dus als zaken zijn geëscaleerd. Eigenlijk zou je meer aan preventie willen doen, een vinger aan de pols willen houden…

Wijma: ‘Dat klopt. Het is wel zo dat er in een wijk maar een paar zaken met gezinnen zijn waar de gemoederen hoog zijn opgelopen en de situatie is geëscaleerd. Heel jammer dat dit wel de beeldvorming bepaalt, terwijl het in veel gevallen heel goed gaat tussen bewoners.’

Wat zijn dan de knelpunten om meer preventief te werken?

Wijma: ‘Dat niet altijd duidelijk is hoe het zit met verantwoordelijkheid van instanties, wie de regie voert. Stel dat ik een melding doe over een incident dat zich heeft voorgedaan tussen buren, waarbij een cliënt van de ggz-instelling is betrokken. Dan zet ik dat door naar de ggz-instelling. De praktijk is dan dat dit door hen ook wordt doorgezet omdat er bijvoorbeeld net een onderzoek is ingesteld. Maar de cliënt en de melder zijn daarmee niet direct geholpen. Vaak is er ook geen terugkoppeling meer. Iedereen is bezig met een overview, met strategie. En iedereen is van goede wil maar praktische actie blijft dan uit. Ook een buurtteam komt bij een melding van ons niet in actie. Als een bewoner, iemand met verward gedrag bijvoorbeeld, zelf geen hulpvraag heeft, kunnen zij niet in actie komen is de redenering. Het gevolg is dat er een meldingsmoeheid ontstaat als er weer een incident is. Niet alleen bij bewoners maar ook bij ons als woningcorporatie.’

Heezen: ‘In welzijnsland is men wel bezig met de waakvlamfunctie. Mensen die geen begeleiding meer hebben, waarmee het een tijdlang goed is gegaan, kunnen weer wegzakken om het zo te noemen. Dan is opnieuw hulp nodig maar de begeleiding ontbreekt. Het idee met die waakvlamfunctie is dat je op die momenten direct een begeleider kunt inzetten zonder het hele circus opnieuw te hoeven optuigen vanwege allerlei protocollen. Een snel beschikbaar vangnet kan dan van grote waarde zijn.’

Onderzoek: blijf waakzaam in kwetsbare wijken

Kwetsbare bewoners in corporatiewijken krijgen te laat of te weinig ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Een vroege signalering van problemen, de waakvlamfunctie, moet terugkomen in de wijken. Dat is de conclusie van het onderzoek dat Andersson Elffers Felix (AEF) op verzoek van Aedes (vereniging van woningcorporaties) uitvoerde. Klik hier om het onderzoeksrapport te lezen

Het lijkt erop dat pas als de problemen zijn geëscaleerd tussen buren, de meldingen worden gedaan bij de woningcorporatie. Het goede gesprek tussen buren, hoe krijg je dat weer terug?

Wijma: ‘We doen ons best om bewoners weer met elkaar in contact te laten komen. Met portiekcafés en projecten als Straatwijs – een onderdeel van de buurtaanpak. Dat is belangrijk. Tegelijkertijd moeten wij als corporatie en andere instanties zorgen dat áls er problemen zijn, er ook oplossingen komen. Doe je dat niet, dan verdwijnt het draagvlak bij bewoners. Ook het draagvlak van praten met bewoners onderling.’

Heezen: ‘Als woningcorporatie zijn we inderdaad sterk bezig met de vraag hoe je als bewoners onderling weer meer met elkaar in contact treedt. We hebben onder meer gesprekken georganiseerd met Utrecht in Dialoog. Een mooie manier om met elkaar in gesprek te gaan over ‘een goede buur’. Wat daarbij bleek: veel mensen zijn verlegen als het om sociale vaardigheden gaat, weten niet goed meer hoe dat moet “met de buren praten”. (Zie illustratie). Achtergronden van bewoners kunnen heel erg verschillen, dat speelt soms ook mee. En mensen zijn soms al blij dat ze zich met hun eigen huishouden het hoofd boven water weten te houden. In coronatijd had en heb ik de hoop dat het meer van de grond zou kunnen komen, door de omstandigheden, het onderling contact.’

Wijma: ‘En laten we niet vergeten dat er heel veel wél goed gaat, ook in coronatijd. Er is nog steeds veel zorg voor elkaar. Soms is dat te weinig zichtbaar, jammer is dat eigenlijk.’

Illustratie Bo-ex 1

 

Illustratie Bo-ex 2

 

Download illustraties

200616-Illustratie-Bo-Ex-1_1.pdf 651.26 KB

200616-Illustratie-Bo-Ex-2.pdf 317.72 KB