Hoe reageer je als jongerenwerker op online hate speech?

‘Ontwapen, geef ruimte aan gevoelens, maar ga niet in discussie’

15 januari 2021

Online polarisatie is een groeiend punt van zorg. Hoe ga je - als professional - om met haatdragende uitingen die je online tegenkomt? Wat werkt wel en niet? En welke interventies bestaan er al op dit gebied? Begin december organiseerde Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS) samen met Project Grey een kennisatelier over hate speech.

‘Wij zijn terughoudend in het posten van berichten op social media en hebben de reactiemogelijkheid op onze website uitgezet, omdat we niet goed weten hoe we moeten omgaan met de heftige opmerkingen die binnenkomen,’ vertelt deelnemer Peggy Timmermans van Stichting Sexmatters. De stichting traint onder meer LHBTI-jongeren die workshops geven over gender en seksualiteit. Ze wil graag weten hoe je de weerbaarheid van workshopleiders versterkt én hoe je jongeren leert om online voor elkaar op te komen.

Jongerenwerkers en andere professionals in het sociaal domein krijgen steeds vaker met ‘hate speech’ te maken. Begin december organiseerde KIS een online workshop over dit relatief nieuwe verschijnsel. Joline Verloove, projectleider bij KIS en Movisie die onder andere vanuit Project Grey een training voor sociaal werkers ontwikkelde over online polarisatie, en expert op het gebied van jongeren en social media Frank Sikkink stelden de ruim twintig aanwezigen op de hoogte van de meest recente (wetenschappelijke) inzichten en ontwikkelingen op dit gebied.

Hate speech

Hate speech, ook wel ‘haatspraak’, is een vorm van discriminatie. Racisme valt hieronder, net als vreemdelingenhaat, antisemitisme en andere vormen van haat gebaseerd op onverdraagzaamheid. ´Het gaat om honderden, zo niet duizenden berichten die per dag op social media verschijnen, vaak anoniem,’ weet Sikkink.

Online hate speech is zowel een uiting van ongewenste polarisatie, als de brandstofleverancier ervan

Polarisatie

´Online hate speech is zowel een uiting van ongewenste polarisatie, als de brandstofleverancier ervan,´ vult Verloove aan: ´Het leidt tot een toename van spanningen tussen verschillende groepen binnen een samenleving.´ Volgens de projectleider brengen internet en sociale media de maatschappij veel goeds, maar hebben zij ook een keerzijde: ‘Haat gedijt bijvoorbeeld goed online. Op internet ervaar je minder snel empathie, omdat je elkaar niet ziet en niet weet wat voor een reactie post bij iemand teweeg brengt. Sommige mensen delen hierdoor eerder online negatieve of haatberichten. Denk bijvoorbeeld aan een anonieme, negatieve restaurantrecensie. Online geef je zo’n recensie een stuk makkelijker, dan wanneer de ober live met de rekening aan je tafel staat’, aldus Verloove.

Algoritmes

Een ander groot probleem is dat de algoritmes van sociale media online ‘bubbels’ creëren. Verloove: ‘Daardoor heb je het idee dat iedereen dezelfde mening heeft als jij, terwijl mensen - zowel binnen als buiten je eigen groep, online én offline - vaak een variëteit aan meningen hebben.’

Counterspeech

Onderzoek wijst uit dat counter speech kan helpen online polarisatie tegen te gaan. Dit betekent dat je - het liefst als groep - een sociale norm stelt die laat zien dat je samen tegen discriminatie bent en vóór gelijkwaardige behandeling. Professionals en jongeren kunnen elkaar daarin ondersteunen. Er zijn al enkele interventies ontwikkeld om counterspeech te organiseren, jongeren weerbaar te maken en hen te trainen op een constructieve manier met hate speech om te gaan, zoals Project Grey, Detect Then Act (DTCT) en #DatMeenJeNiet.

Detact Then Act

Sikkink is betrokken bij Detect Then Act (DTCT). Dit Europees gesubsidieerde project wordt uitgevoerd door de organisaties TextGain, Media Diversity Institute, Universiteit Hildesheim, Karel de Grote Hogeschool, Universiteit Antwerpen en Bureau Emma. Zij ontwikkelden een dashboard dat met name Twitter-content scant op hate speech. Vrijwilligers bekijken verdachte berichten persoonlijk en controleren of het daadwerkelijk om haatdragende uitingen gaat. Zo nodig rapporteren zij een post, maar meestal reageren zij zelf op de haatdragende berichten middels het dashboard. Deze reactie verschijnt dan vanuit een anoniem account.

Een kitten werkt ontwapenend

Gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek naar wat het beste werkt, stelde DTCT richtlijnen op voor zulke reacties. Sikkink: ‘We gaan niet in discussie en hebben het ook niet over onze eigen mening. In plaats daarvan richten we ons op de woordkeus van degene die we aanspreken.’ Hij laat enkele voorbeelden zien, zoals: “Iedereen is wel eens boos, dat is helemaal niet erg. Maar misschien kun je dit ook kenbaar maken zonder te schelden?” Sikkink: ‘Op die manier geef je ruimte aan gevoelens.’

Een andere strategie van DTCT is om ontwapenend te werk te gaan. Sikkink: ‘Daarom sturen we vaak een afbeelding van een kitten mee, want wat is er nou meer ontwapenend dan een kitten?’ Wat ook werkt is persoonlijke ervaringen delen die empathie opwekken, vertelt Verloove: ‘Dat mag ook een verwijzing naar een film of serie zijn.’

 Bekijk hier de infographic van Project Grey

#DatMeenJeNiet

Verloove is vanuit Movisie ook projectleider van #DatMeenJeNiet. Ook #DatMeenJeNiet traint mensen te reageren op online haatdragende uitingen. Verloove: ‘We hopen zo dat meer jongeren upstanders worden in plaats van bystanders.’ In de sociale psychologie wordt de term bystander of omstander gebruikt om te verwijzen naar een persoon die een onbekende ziet in een noodgeval - in dit geval een slachtoffer van discriminatie. Een upstander is iemand die juist in actie komt tegen discriminatie.

We begeleiden jongeren hoe je op een effectieve manier op discriminerende online uitingen kunt reageren

Verloove: ‘We begeleiden jongeren hoe je op een effectieve manier op discriminerende online uitingen kunt reageren en hoe je de sociale norm verspreidt dat online discriminatie niet acceptabel is. We hopen zo dat mensen hun online gedrag aanpassen én dat anderen zien dat ingrijpen zin heeft en ook zelf eerder die stap durven te zetten.’

Samen sta je sterker

‘We merken dat het heel belangrijk is om samen online op te staan tegen discriminatie,’ benadrukt Verloove. ‘De upstanders zitten bijvoorbeeld met elkaar in een Whatsappgroep. Zo kunnen ze elkaar om steun of rugdekking vragen als ze een bepaalde confrontatie aangaan. Een techniek als ‘swarming’ waarbij je als een zwerm vogels gezamenlijk een bepaalde hashtag terroriseert, kun je natuurlijk ook ten goede inzetten.’ Nu hanteren juist trollen vaak dit soort technieken, dat wil zeggen: personen die binnen een online omgeving opzettelijk verkeerde informatie geven, zich doelbewust anders voordoen, of berichten plaatsen om negatieve emotionele reacties uit te lokken.

Heeft het wel zin om te reageren?

Na de plenaire sessie discussiëren de deelnemers verder in twee kleinere groepen. Carola Onderdelinden, onderzoeker aan de Rijksuniversiteit Groningen, traint eerstelijns professionals, zoals jongerenwerkers, in een project om radicalisering bij jongeren in een vroeg stadium te voorkomen. Ze vraagt zich af of de focus wel moet liggen op het reageren op haatdragende uitspraken: ‘Ligt de echte oorzaak niet veel dieper? Waarom hebben deze mensen het nodig om te haten?’

Onderdelinden observeert dat steeds meer mensen vervreemd raken van de maatschappij: ‘Deze mensen voelen zich niet gezien of gehoord. En ervaren de noodzaak om hier een schuldige voor aan te wijzen.’ Verloove erkent dat dit onderliggende probleem ook moet worden aangepakt: ‘Het is allebei belangrijk. De weerbaarheidskant is essentieel maar het is ook goed om in te blijven grijpen en mensen bewust te maken.’

Stel een helder doel voor jezelf

Onderdelinden geeft aan dat ze zelf vroeger ook ingreep tegen hate speech online, maar dat het haar veel energie kostte om op haatdragende berichten te reageren: ‘Ik kreeg zoveel “shit” over me heen dat ik er zelf ongelukkig van werd. Daarom heb ik de neiging om me er niet meer mee te bemoeien.’

Ook dat is een belangrijke reden om samen op te trekken, benadrukt Verloove: ‘Stel daarnaast een duidelijk doel waar je je op richt. Als je doel bijvoorbeeld is dat de jonge generatie zich online veilig kan voelen, dan is het gemakkelijker om negatieve reacties van bijvoorbeeld oudere mensen te negeren. Besteed niet te veel energie aan de meest extreme gevallen, de zogenaamde “hobbyhaters” en tel de kleine vooruitgangen.’

Wiens verantwoordelijkheid is het om te reageren?

De tweede groep discussieert over de vraag wiens verantwoordelijkheid het is om te reageren op hate speech? Deze rol ligt bij iedereen, concluderen de aanwezigen: niet alleen de school, de ouders, of de overheid, maar wij allemaal dragen verantwoordelijkheid hiervoor. Dit betekent dat we ervoor moeten waken dat niemand actie onderneemt.

Na een plenaire terugkoppeling is er een lijst naar de deelnemers verstuurd met een overzicht van bestaande projecten en initiatieven op het gebied van online hate speech. Hieronder een inkijkje voor wie er niet bij was.

Projecten die aandacht hebben voor (online) hate speech:

Overige links en artikelen

Dit artikel verscheen eerder op de website van KIS.